De moeder vorderde in kort geding de intrekking of wijziging van het raadsrapport van de Raad voor de Kinderbescherming, omdat zij meende dat het rapport onjuist en onvolledig was en haar reputatie schaadde. Het rapport betrof een gezagsonderzoek over haar drie minderjarige kinderen, waarbij de Raad concludeerde dat terugplaatsing bij de moeder niet in het belang van de kinderen was en voogdij moest worden toegewezen aan een gezinsvoogd.
De moeder stelde dat zij onvoldoende gelegenheid had gekregen om te reageren op het conceptrapport en dat de Raad onvoldoende waarheidsvinding had verricht. De Raad voerde aan dat de moeder uitgebreid de kans had gekregen om te reageren, maar geen commentaar had ingediend en dat het rapport zorgvuldig en gemotiveerd was opgesteld.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de Raad een grote beoordelingsvrijheid heeft bij het vormen van een eigen oordeel in gezagsonderzoeken en dat het beginsel van hoor en wederhoor voldoende was gewaarborgd door de mogelijkheid tot reactie op het conceptrapport. De moeder kon haar visie in hoger beroep kenbaar maken. De vorderingen tot intrekking en wijziging van het rapport werden daarom afgewezen, evenals de proceskostenveroordeling.