Verzoekers, woonachtig in Nederland, hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken om de aanvraag voor een Nederlands reisdocument voor hun kind, geboren in Georgië uit een draagmoeder, niet in behandeling te nemen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekers een spoedeisend belang hebben omdat zij niet met het kind naar Nederland kunnen reizen zonder reisdocument. Uit DNA-onderzoek blijkt dat verzoeker de biologische vader is en de draagmoeder heeft toestemming gegeven voor het gezag en de adoptie door verzoekster. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat het kind uiteindelijk de Nederlandse nationaliteit zal verkrijgen.
Gezien de humanitaire noodzaak en het ontbreken van verzet van de minister, wordt het verzoek toegewezen. Verweerder wordt opgedragen binnen een week een laisser-passer te verstrekken zodat het kind naar Nederland kan reizen en tijdelijk mag verblijven. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.