Eind 2022 en begin 2023 was er sprake van ernstige onrust in het gezin van de minderjarige, met escalaties tussen de ouders en grote zorgen over alcohol- en middelengebruik. Deze situatie leidde tot meerdere zorgmeldingen en betrokkenheid van hulpverlening. Inmiddels is de relatie tussen de ouders verbroken en woont de vader op afstand, wat heeft geleid tot een afname van conflicten en een rustiger thuissituatie.
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling omdat de ouders onvoldoende in staat zouden zijn om de opvoeding en verzorging van de minderjarige adequaat te verzorgen. Er waren zorgen over de communicatie tussen de ouders, het onvoorspelbare contact met de vader, en het mogelijke middelengebruik van beide ouders. De vrijwillige hulpverlening zou onvoldoende effect hebben.
De kinderrechter heeft op basis van de stukken en de mondelinge behandeling vastgesteld dat de situatie inmiddels is verbeterd. De minderjarige woont bij de moeder, die aangeeft geen drugs meer te gebruiken, en de vader vervult zijn ouderrol op afstand. De communicatie tussen de ouders verloopt beperkt maar functioneel. De minderjarige ervaart zijn thuissituatie als prettig en heeft een vertrouwenspersoon op school.
Gezien deze feiten concludeert de rechtbank dat de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling niet zijn vervuld. De huidige zorgen zijn niet ernstig genoeg om een gedwongen maatregel te rechtvaardigen. De ouders worden wel aangespoord zich in te blijven zetten voor de veilige ontwikkeling van de minderjarige. Het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt daarom afgewezen.