Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.[eiser 1],
[eiser 2],
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 16 juli 2024, waarbij door mr. Houben spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Noord-Holland
Partijen zijn buren die een geschil hebben over de juridische erfgrens en de plaatsing van een scheidsmuur. Eisers stellen dat delen van het bijgebouw van gedaagde en de erfafscheiding op hun grond staan, en vorderen vaststelling van de erfgrens, verwijdering van het bijgebouw op hun grond, en medewerking aan een scheidsmuur. Gedaagde beroept zich op verkrijgende verjaring en stelt eigenaar te zijn van de betwiste strook grond.
De rechtbank stelt vast dat de feitelijke erfafscheiding overeenkomt met de juridische erfgrens, waarbij gedaagde de betwiste strook grond onafgebroken en te goeder trouw in bezit heeft gehad gedurende meer dan tien jaar. Dit leidt tot toewijzing van het beroep op verkrijgende verjaring en afwijzing van de vorderingen van eisers tot verwijdering van het atelier en herstelling van de erfgrens.
Wel wordt gedaagde veroordeeld om mee te werken aan het plaatsen van een mandelige scheidsmuur van twee meter hoog van hout, omdat het huidige betonijzeren hek onvoldoende privacy biedt. Tevens wordt een dwangsom opgelegd voor het niet naleven van deze verplichting. De rechtbank wijst ook een gedeeltelijke vergoeding van de kosten van juridisch advies toe aan gedaagde en veroordeelt partijen in hun respectievelijke proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank stelt de feitelijke erfafscheiding als juridische erfgrens vast, wijst verkrijgende verjaring toe en veroordeelt gedaagde tot medewerking aan een mandelige scheidsmuur.