ECLI:NL:RBNHO:2024:8692

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 augustus 2024
Publicatiedatum
23 augustus 2024
Zaaknummer
10196583 \ CV EXPL 22-6681
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004Artikel 5 lid 1 onder c Verordening (EG) nr. 261/2004Artikel 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Artikel 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verstekvonnis wegens niet-onderbouwde vluchtannulering ondanks capaciteitsreductie Schiphol

Airhelp heeft de vervoerder gedagvaard wegens het niet betalen van compensatie voor de annulering van vlucht KL1896 van Graz naar Amsterdam op 1 april 2022, waardoor de passagier zijn aansluitende vlucht naar Atlanta miste en met meer dan zes uur vertraging aankwam.

De vervoerder werd bij verstek veroordeeld tot betaling van €600,- compensatie plus rente en proceskosten. In verzet heeft de vervoerder aangevoerd dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een capaciteitsreductie door de luchtverkeersleiding op Schiphol.

De kantonrechter oordeelt dat hoewel de capaciteitsreductie aannemelijk is gemaakt, de vervoerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom juist vlucht KL1896 moest worden geannuleerd. Het beroep op buitengewone omstandigheden faalt daardoor.

Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis bevestigd. De vervoerder wordt veroordeeld in de proceskosten van €132,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het verzet van de vervoerder wordt ongegrond verklaard en het verstekvonnis bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10196583 \ CV EXPL 22-6681
Uitspraakdatum: 7 augustus 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap
KLM Cityhopper B.V.
gevestigd te Schiphol
eiser in het verzet
hierna te noemen: Airhelp
gemachtigde: mr. R.L.S.M. Pessers
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn (Duitsland)
gedaagde in het verzet
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. D.E. Lof

1.Het procesverloop

1.1.
Airhelp heeft de vervoerder op 18 juli 2022 gedagvaard om te verschijnen ten overstaan van de kantonrechter. De vervoerder is niet verschenen, waarna de vervoerder bij verstekvonnis van 24 augustus 2022 is veroordeeld. Bij dagvaarding van 6 oktober 2022 is de vervoerder in verzet gekomen tegen dat verstekvonnis.
1.2.
Vervolgens heeft de vervoerder een akte overgelegd, houdende overlegging producties. Airhelp heeft schriftelijk op de verzetdagvaarding en de akte gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
[betrokkene] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hem diende te vervoeren van Graz (Oostenrijk) via Amsterdam naar Atlanta (Verenigde Staten) op 1 april 2022.
2.2.
Vlucht KL1896 van Graz naar Amsterdam (hierna: de vlucht) is geannuleerd. De passagier heeft zijn aansluitende vlucht naar Atlanta gemist. Hij is omgeboekt op een alternatieve vlucht waarmee hij meer dan zes uur later dan oorspronkelijk gepland op de overeengekomen eindbestemming is aangekomen.
2.3.
De passagier heeft zijn vermeende vorderingsrecht aan Airhelp overgedragen.
2.4.
Airhelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.5.
De vervoerder is door de kantonrechter bij verstek veroordeeld tot betaling van het gevorderde.

3.De vordering

3.1.
Airhelp vordert bij inleidende dagvaarding dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vluchtdatum tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Airhelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Airhelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging op de eindbestemming gehouden is te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier.
3.3.
De vervoerder vordert, in de verzetdagvaarding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verstekvonnis van 24 augustus 2022 te vernietigen, de vorderingen van Airhelp af te wijzen en Airhelp te veroordelen in de kosten van de proceskosten en de nakosten.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd. Nu gesteld noch gebleken is dat de vervoerder zich kan beroepen op artikel 5 lid 1 onder Pro c van de Verordening, geldt er in beginsel een compensatieplicht voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. De vervoerder heeft een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder daar niet in is geslaagd. Hij overweegt daartoe als volgt.
4.3.
De vervoerder heeft met de door hem overgelegde producties en zijn toelichting daarop voldoende aannemelijk gemaakt dat op 1 april 2022 sprake was van een capaciteitsreductie. Ten tijde van de geplande aankomst van de vlucht in kwestie was de reguliere capaciteit 68 vliegbewegingen per uur, maar had de luchtverkeersleiding de capaciteit tot 35 vliegbewegingen per uur gereduceerd. In het geval van een capaciteitsreductie is het niet aan de kantonrechter om aan de hand van de overgelegde weergegevens te beoordelen of de luchtverkeersleiding de juiste beslissing heeft genomen door de capaciteit van de luchthaven naar beneden bij te stellen. Een capaciteitsreductie kan een buitengewone omstandigheid vormen indien de luchtvaartmaatschappij aantoont dat hij, gelet op de duur en mate van de restricties geen andere keuze had dan tot annulering van de vlucht over te gaan. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop hier niet in is geslaagd. Weliswaar heeft de vervoerder toegelicht dat de capaciteit van de luchthaven Schiphol op de vluchtdatum door de luchtverkeersleiding naar beneden is bijgesteld, maar de vervoerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom specifiek vlucht KL1896 moest worden geannuleerd. De vervoerder heeft geen enkele toelichting gegeven op de factoren die bij de beslissing om specifiek de vlucht in kwestie te annuleren een rol hebben gespeeld. Dit had wel op zijn weg gelegen. Het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden slaagt dan ook niet.
4.4.
De conclusie is dat het verzet ongegrond is en dat het verstekvonnis zal worden bevestigd. De vervoerder zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de verzetprocedure.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart het verzet ongegrond en bevestigt het verstekvonnis van 24 augustus 2022 in de zaak met zaaknummer 10036268 CV EXPL 22-4625;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die tot en met vandaag voor de passagiers worden vastgesteld op een bedrag van € 132,00 aan salaris van de gemachtigde van de passagiers;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter