Op 25 februari 2022 reed de verdachte met een geleende auto tweemaal opzettelijk op het slachtoffer in, waarbij het slachtoffer ten val kwam en werd voortgeduwd. Ondanks het letsel overleefde het slachtoffer de aanrijdingen. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte poging tot doodslag pleegde, maar sprak hem vrij van medeplegen wegens gebrek aan nauwe samenwerking met de bijrijder.
De verdachte bekende bestuurder te zijn en verklaarde de aanrijdingen onopzettelijk te hebben gemaakt in een poging te de-escaleren, maar de rechtbank concludeerde op basis van camerabeelden dat hij de aanmerkelijke kans op overlijden aanvaardde. De strafrechtelijke beoordeling leidde tot een gevangenisstraf van 513 dagen, verminderd wegens schending van de redelijke termijn.
De inbeslaggenomen auto, eigendom van de broer van de verdachte, werd niet verbeurdverklaard omdat niet kon worden vastgesteld dat de eigenaar wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de auto voor het strafbare feit zou worden gebruikt. Tevens werd een eerdere voorwaardelijke straf tenuitvoer gelegd vanwege het nieuwe strafbare feit.
De rechtbank nam de ernst van het feit, de persoon van de verdachte en het reclasseringsadvies mee in haar strafoplegging. De voorlopige hechtenis werd geschorst maar herleefde bij vonnis. De vordering tot tenuitvoerlegging van de eerdere straf werd toegewezen.