Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Inleiding
Verweerder heeft een herberekening gemaakt en aan de hand daarvan het terug te vorderen bedrag verlaagd naar € 6.763,52.
Rechtbank Noord-Holland
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de herziening en terugvordering van de Tozo-uitkering over de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 september 2021. Verweerder had aanvankelijk een bedrag van €19.035,42 teruggevorderd, dat na bezwaar en herberekening werd verlaagd tot €6.763,52 en later tot €3.832,63.
Eiser betwist dat hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en stelt dat hij niets hoeft terug te betalen omdat de verlies- en winstrekeningen aantonen dat hij geen omzet heeft gemaakt. De rechtbank benadrukt dat de Tozo-uitkering wordt vastgesteld per kalendermaand op basis van het inkomensbegrip uit de Participatiewet, en niet op jaarbasis.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid tot herziening en terugvordering, waarbij een kenbare belangenafweging is gemaakt. Het beroep tegen het eerste bestreden besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat dit is ingetrokken, en het beroep tegen het tweede bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten van €875 en het griffierecht van €50 aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter M. Jurgens op 5 augustus 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening en terugvordering van de Tozo-uitkering wordt ongegrond verklaard.