De zaak betreft een vordering van de medebewoner om de huurovereenkomst van een woonwagenstandplaats voort te zetten na het overlijden van de oorspronkelijke huurder, zijn vader. De medebewoner woont sinds 2011 onafgebroken op de standplaats en voert aan dat hij met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad.
Pré Wonen betwist dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en vordert ontruiming van de standplaats. De kantonrechter stelt vast dat de medebewoner zijn hoofdverblijf op de standplaats heeft, over voldoende financiële middelen beschikt en in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning.
Hoewel de onderbouwing van de duurzame gemeenschappelijke huishouding summier is, oordeelt de kantonrechter dat de omstandigheden, waaronder de langdurige gezamenlijke bewoning en bevestiging door de moeder, voldoende bewijs vormen. De vordering wordt toegewezen en Pré Wonen wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De tegenvordering tot ontruiming wordt afgewezen wegens niet-vervulde voorwaarde.