ECLI:NL:RBNHO:2024:9446

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 september 2024
Publicatiedatum
13 september 2024
Zaaknummer
355675
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 556 lid 1 RvArt. 557 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming huurwoning en betaling achterstallige huur en boete

Eiser vordert ontruiming van een driekamerappartement dat gedaagde huurt sinds 14 april 2024, vanwege niet-betaling van huur en waarborgsom. De huurachterstand bedraagt €5.496,00 en de waarborgsom van €1.374,00 is niet voldaan, waardoor ook een contractuele boete is verschuldigd.

Gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend. De voorzieningenrechter stelt vast dat de toepasselijke ROZ-voorwaarden geen oneerlijke bedingen bevatten en wijst de gevorderde machtiging tot ontruiming met behulp van justitie af als overbodig. Vergoeding van incassokosten en rente wordt afgewezen wegens ontbreken van bewijs van aanmaning.

De rechter veroordeelt gedaagde tot ontruiming binnen vijf dagen, betaling van de huurachterstand, maandelijkse huur tot daadwerkelijke ontruiming, de waarborgsom, en een contractuele boete met dagboete. Tevens worden proceskosten en wettelijke rente toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van achterstallige huur, waarborgsom, boete en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/355675 / KG ZA 24-466
Vonnis in kort geding van 13 september 2024
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats 1],
eisende partij,
advocaat: mr. R.B.M. van Poorten,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats 2],
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding inclusief twee bijlagen van 16 augustus 2024,
- de mondelinge behandeling van 11 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van eiser,
- de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagde.

2.De beoordeling

2.1.
Eiser stelt dat gedaagde op grond van een huurovereenkomst per 14 april 2024 een driekamerappartement van eiser huurt, dat partijen overeenkwamen dat gedaagde over de maand april 2024 geen huur verschuldigd is en dat gedaagde met ingang van 1 mei 2024 telkens € 1.374,00 per maand zou betalen. Omdat gedaagde de huur vanaf de ingangsdatum van de overeenkomst niet heeft betaald is er een huurachterstand ontstaan die inmiddels
€ 5.496,00 bedraagt. Daarnaast heeft gedaagde de waarborgsom van € 1.374,00 niet betaald, zodat gedaagde in verband daarmee ook een contractuele boete verschuldigd is. Eiser vordert in deze procedure dat gedaagde wordt veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de (achterstallige) huurtermijnen tot het moment van de ontruiming en betaling van de contractuele boete.
2.2.
Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat de toepasselijke algemene voorwaarden (ROZ-voorwaarden van 20 maart 2017) voor wat betreft het gevorderde geen oneerlijke bedingen bevatten.
2.3.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 Rv Pro overbodig is.
2.4.
De gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en de rente zal worden afgewezen. Eiser heeft niet gesteld dat hij de zogenoemde 14-dagen brief aan de gedaagde partij heeft gestuurd en dat is ook niet gebleken.
2.5.
Het gevorderde komt de voorzieningenrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen op de wijze als bij de beslissing staat vermeld. Voor wat betreft de verschuldigde waarborgsom geldt daarbij dat het verhuurder nog niet is ontruimd en dat de verhuurder zolang van een correcte oplevering nog niet is gebleken belang heeft bij de waarborgsom. De gevorderde wettelijke rente over de waarborgsom zal worden afgewezen omdat partijen voor de vertraging in de betaling van de waarborgsom een boete zijn overeengekomen. Deze boete zal overeenkomstig de toepasselijke voorwaarden worden gemaximeerd.
2.6.
Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiser worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
136,72
- griffierecht
320,00
- salaris advocaat
715,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.349,72
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis het driekamerappartement aan de [adres] te [plaats 2] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van eiser zijn, en het appartement leeg en bezemschoon aan eiser op te leveren en de sleutels af te geven aan eiser,
3.2.
veroordeelt gedaagde om aan eiser een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 3.1 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
3.3.
veroordeelt gedaagde om te betalen aan eiser:
a. a) € 5.496,00 aan achterstallige huur tot en met 31 augustus 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
b) € 1.374,00 per maand vanaf 1 september 2024 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
c) een bedrag van € 1.374,00 in verband met de verschuldigde waarborgsom,
3.4.
veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van € 1.840,00 aan contractuele boete, te vermeerderen met een boete van € 20,00 per dag vanaf 1 augustus 2024 tot de dag waarop gedaagde de waarborgsom aan eiser heeft betaald met een maximum van in totaal € 4.000,00,
3.5.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1.349,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.6.
veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst het anders of meer gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2024.