Op 8 april 2024 werd bij de verdachte op Schiphol een hoeveelheid van 4.927,5 gram cocaïne aangetroffen in twee koffers die hij vanuit Suriname had ingecheckt. De verdachte bekende het feit, maar stelde dat hij slechts opzet had op invoer van 500 gram. De rechtbank oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de koffers een grotere hoeveelheid drugs bevatten, waardoor sprake was van voorwaardelijk opzet op de totale hoeveelheid.
De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte opzettelijk de cocaïne invoerde en verwierp het verweer dat hij slechts opzet had op een kleinere hoeveelheid. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het ontbreken van opzet konden rechtvaardigen. De strafbaarheid van de verdachte werd bevestigd, zonder dat strafuitsluitingsgronden aanwezig waren.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 36 maanden op, aansluitend bij de richtlijnen voor invoer van 4.000 tot 5.000 gram harddrugs. Persoonlijke omstandigheden en een oud strafblad werden meegewogen, maar vormden geen reden tot strafvermindering. De tijd in voorarrest wordt op de straf in mindering gebracht. Het vonnis werd uitgesproken op 18 juli 2024 door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Holland.