Op 29 april 2024 arriveerde de verdachte op Schiphol met een koffer waarin 2.848,5 gram cocaïne was verborgen in een dubbele bodem. De verdachte verklaarde de koffer van een vriend te hebben gekregen en niet te weten dat deze drugs bevatte. Uit telefoonberichten bleek echter dat de verdachte nauw contact had met deze vriend, die een aansturende rol had in de reis en de verdachte opdrachten gaf. De verdachte verwijderde bovendien berichten op verzoek van die vriend, wat de rechtbank als verdacht beschouwde.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig was en dat hij opzettelijk de cocaïne had ingevoerd. De hoeveelheid cocaïne was aanzienlijk en bestemd voor verdere handel, wat de ernst van het feit benadrukte. De verdachte had geen strafblad in Nederland, wat bij de strafmaat werd meegewogen.
De officier van justitie eiste 30 maanden gevangenisstraf, de verdediging vroeg om een lagere straf. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 28 maanden op, passend bij de richtlijnen voor deze hoeveelheid harddrugs. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht. Het vonnis werd uitgesproken op 8 augustus 2024 door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Holland.