ECLI:NL:RBNHO:2024:9812

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 augustus 2024
Publicatiedatum
25 september 2024
Zaaknummer
C/15/348089 / JU RK 24/77
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij pleeggrootouders

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar pleeggrootouders. De minderjarige verblijft sinds november 2021 in het netwerkgezin van haar vaderszijde grootouders. De ondertoezichtstelling loopt nog tot 18 februari 2025 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 18 augustus 2024.

De GI verzoekt verlenging van de machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling vanwege het ontbreken van een perspectiefbesluit. Door vertrek van de vorige jeugdbeschermer en personeelstekorten is de zaak vertraagd. Het perspectiefonderzoek is afgerond en adviseert dat de minderjarige niet bij de moeder zal opgroeien. De GI benadrukt de noodzaak van een spoedige beslissing over het toekomstperspectief en een passende omgangsregeling.

De moeder stemt in met het verblijf bij de pleeggrootouders maar wijst op het gebrek aan regie vanuit de GI. De pleeggrootouders verklaren dat de minderjarige haar hele leven bij hen kan blijven wonen en dat zij goed voor haar zullen zorgen.

De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De minderjarige heeft behoefte aan structuur en duidelijkheid, maar ervaart onduidelijkheid over haar toekomstperspectief wat leidt tot zorgelijk gedrag. De kinderrechter wijst de GI op de spoedige noodzaak van een perspectiefbesluit. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 18 februari 2025, de einddatum van de ondertoezichtstelling, en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de pleeggrootouders wordt verlengd tot 18 februari 2025.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/348089 / JU RK 24/77
Datum uitspraak: 13 augustus 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige],
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. I.M. Thieme, kantoorhoudende te Zaandam,
[de (pleeg)oma vaderszijde],
de (pleeg)oma vaderszijde,
wonende in [plaats] ,
en
[de (pleeg)opa vaderzijde],
de (pleeg)opa vaderzijde,
wonende in [plaats] ,
de (pleeg)oma en de (pleeg)opa hierna gezamenlijk te noemen: de pleeggrootouders.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
  • de beschikking van 13 februari 2024 en het daarin genoemde verzoekschrift van de GI;
  • de schriftelijke update van de GI van 8 augustus 2024, bij de rechtbank binnengekomen op 8 augustus 2024;
  • het “concept adviesverslag perspectiefonderzoek over toekomstperspectief jeugdige” van de GI, bij de rechtbank binnengekomen op 12 augustus 2024.
1.2.
Op 13 augustus 2024 heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat
  • de pleeggrootouders;
  • [vertegenwoordiger van de GI] , als vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De zitting heeft voor de moeder telefonisch plaatsgevonden, omdat de verbinding via de tweezijdige beeld- en geluidsverbinding niet tot stand kwam.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 mei 2022 [de minderjarige] (voorlopig) onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd en duurt nog tot 18 februari 2025.
2.3.
Bij beschikking van 13 mei 2022 is ook een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening van pleegzorg. Die machtiging is daarna ook telkens verlengd en duurt nog tot 18 augustus 2024.
2.4.
[de minderjarige] verblijft sinds november 2021 in een netwerkgezin, namelijk bij haar grootouders van vaderszijde (hierna: de pleeggrootouders).

3.Het verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen voor een periode van één jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Aan de orde is nu de aangehouden verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling, namelijk tot 18 februari 2025. De GI heeft haar verzoek gehandhaafd en ter zitting nog het volgende naar voren gebracht.
3.2.
Vanwege het vertrek van de vorige jeugdbeschermer en personeelstekorten bij de GI is (nog) geen nieuwe jeugdbeschermer aangewezen, waardoor de zaak al enige tijd stil ligt. Wel is het perspectiefonderzoek, waarin wordt geadviseerd dat het perspectief van [de minderjarige] niet langer bij de moeder ligt, afgerond en met de moeder besproken. De te volgen lijn is duidelijk. Eerst zal een perspectiefbesluit moeten worden genomen, waarna een passende omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] moet worden vastgesteld, aldus de GI. Gelet op de behoefte van [de minderjarige] aan duidelijkheid en structuur is het van belang dat het perspectiefbesluit niet lang op zich laat wachten.
3.3.
Desgevraagd heeft de GI te kennen gegeven dat de oorzaak voor de vermindering van de onbegeleide omgangsmomenten tussen de moeder en [de minderjarige] is gelegen in een terugval in het gedrag van [de minderjarige] en de onduidelijkheden die zij ervaart over haar perspectief.

4.De standpunten van de belanghebbenden

De moeder

4.1.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen het (resterende) verzoek van de GI. Naar voren is gebracht dat de moeder instemt met het verblijf van [de minderjarige] bij de pleeggrootouders in de wetenschap dat wordt onderzocht of een terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder aan de orde is en dat wordt toegewerkt naar uitgebreider contact tussen hen. Daarvan lijkt door het vertrek van de vorige jeugdbeschermer nu echter geen sprake. Er is een vacuüm ontstaan en regie vanuit de GI ontbreekt, als gevolg waarvan de uitvoering van de ondertoezichtstelling te wensen overlaat. Het is daarom het uitdrukkelijke verzoek aan de GI om meer regie te voeren.
De pleeggrootouders
4.2.
Ter zitting hebben de pleeggrootouders toegezegd dat [de minderjarige] haar hele leven bij hen kan blijven wonen. Zij zullen goed voor [de minderjarige] zorgen.

5.De verdere beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat verlenging van de machtiging tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). Daarvoor is het volgende redengevend.
5.2.
[de minderjarige] verblijft al langere tijd bij de pleeggrootouders, waar zij in de thuissituatie structuur, voorspelbaarheid en duidelijkheid krijgt. De kinderrechter ziet enerzijds dat dit de ontwikkeling van [de minderjarige] goed doet. Anderzijds ziet de kinderrechter dat [de minderjarige] veel onduidelijkheid ervaart over haar opgroeiperspectief en bij de pleegouders soms terugvalt in zorgelijk dwars gedrag (hoofdbonken en bijten). Zij is ook brutaler en agressiever, aldus de pleeggrootouders.
Vaststaat dat het eerder uitgestelde en verlengde perspectiefonderzoek nu is afgerond. Daaruit volgt het advies aan de GI om te beslissen dat [de minderjarige] niet bij de moeder zal opgroeien. De GI heeft echter (nog) geen perspectiefbesluit genomen zodat de onduidelijkheid daarover bij [de minderjarige] en de ouders nog steeds voortduurt. Dit is bijzonder spijtig, vooral ook omdat in de beschikking van de kinderrechter van 13 februari 2024 al is overwogen dat het, gelet op de leeftijd en de behoefte van [de minderjarige] , belangrijk is dat er duidelijkheid komt over haar opgroeiperspectief. Om dat mogelijk te maken is toen de beslissing over de uithuisplaatsing voor zes maanden aangehouden om de voortgang van het perspectiefonderzoek en het vervolg daarop te bewaken. Gelet op het verloop van de ondertoezichtstelling in de afgelopen zes maanden en het ontbreken van een actieve regie van de GI, begrijpt de kinderrechter het gebrek aan vertrouwen van de moeder in de GI. De kinderrechter wijst de GI om die reden nogmaals op de noodzaak om zo spoedig mogelijk een beslissing te nemen over het perspectief van [de minderjarige] . Het voorgaande betekent dat terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder volgens alle betrokkenen nu nog niet aan de orde is. Daarom zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de pleeggrootouders worden verlengd zoals verzocht.
5.3.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen tot de einddatum van de ondertoezichtstelling, namelijk tot 18 februari 2025.
5.4.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 18 augustus 2024 tot 18 februari 2025, te weten de afloopdatum van de ondertoezichtstelling;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2024 door mr. J.C.M. Swinkels, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgesteld op 21 augustus 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.