De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot het verlengen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds eind augustus 2024 uit huis is geplaatst vanwege een onveilige thuissituatie met de moeder. De kinderrechter handhaaft de eerder verleende spoedmachtiging en verleent aansluitend een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier maanden, korter dan door de GI gevraagd.
De GI heeft onderbouwd dat er sprake is van frequente incidenten van fysieke agressie tussen de moeder en de minderjarige, waardoor het niet veilig is dat de minderjarige bij de moeder verblijft. De minderjarige verblijft momenteel op een crisisplek, maar voelt zich daar niet op haar plek en er is nog geen zicht op een passende vervolgplek. De GI benadrukt de noodzaak van intensieve hulpverlening op neutraal terrein om de problematiek in het gezin aan te pakken.
De moeder erkent de zorgen maar betwist de noodzaak van een langdurige uithuisplaatsing, wijst op het ontbreken van adequate hulpverlening tot nu toe en vraagt om een kortere termijn. De minderjarige zelf steunt de uithuisplaatsing, maar wil liever in een andere instelling in de regio geplaatst worden.
De kinderrechter overweegt dat de situatie ernstig is en dat de onderliggende problemen nog onvoldoende zijn aangepakt. Gezien de verstrekkende aard van de maatregel en het ontbreken van een passende vervolgplek, wordt de machtiging verleend voor vier maanden. De GI wordt verzocht de rechtbank tijdig te informeren over de voortgang en het verzoek wordt aangehouden voor een nieuwe zitting medio januari 2025.