ECLI:NL:RBNHO:2025:10081

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 september 2025
Publicatiedatum
1 september 2025
Zaaknummer
11411495 CV EXPL 24-8202
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:213 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst afgewezen ondanks eerdere tekortkomingen hoofdverblijf

De zaak betreft een geschil tussen Stichting Ymere en gedaagde over de nakoming van een huurovereenkomst. Ymere vorderde ontbinding en ontruiming omdat gedaagde in de periode 2021-2024 niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde had en de woning zonder toestemming aan derden ter beschikking stelde, wat wanprestatie opleverde.

Gedaagde betoogde en onderbouwde met diverse bewijsstukken, waaronder medische afspraken, bankafschriften, verklaringen van buren en vrienden, dat hij vanaf juni 2024 weer zijn hoofdverblijf in de woning had. Ymere betwistte dit, maar kon de suggestie van misbruik van de bankpas niet overtuigend onderbouwen.

De kantonrechter stelde vast dat de wanprestatie in 2021-2024 onomstreden is, maar dat deze situatie sinds juni 2024 is gewijzigd. Gezien de aard van de tekortkoming en het feit dat gedaagde inmiddels weer in de woning verblijft, rechtvaardigt dit geen ontbinding van de huurovereenkomst. De gevorderde ontruiming wordt daarom afgewezen.

De kantonrechter benadrukte dat gedaagde voortaan toestemming moet vragen voor langere afwezigheid. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De ontbinding en ontruiming van de huurovereenkomst worden afgewezen omdat gedaagde sinds juni 2024 weer zijn hoofdverblijf in de woning heeft.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11411495 \ CV EXPL 24-8202
Vonnis van 10 september 2025
in de zaak van
STICHTING YMERE,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Ymere,
gemachtigde: mr. M.G. Blokziel,
tegen
[gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. A.C. Mens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 juni 2025
- de akte houdende overlegging producties van [gedaagde]
- de antwoordakte van Ymere.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis is overwogen dat: [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst omdat:
- hij in de periode 2021 – 2024 niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad;
- hij het mogelijk heeft gemaakt, althans niet heeft verhinderd, dat een derde zonder toestemming van Ymere gebruik heeft gemaakt van het gehuurde en zij en haar bezoek soms voor overlast zorgden.
Deze tekortkomingen kunnen niet meer ongedaan worden gemaakt. Ymere heeft daarom de bevoegdheid de huurovereenkomst te ontbinden tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [gedaagde] is vervolgens in de gelegenheid gesteld om zijn betoog dat hij weer volledig in het gehuurde verblijft en slechts af en toe naar Tsjechië gaat om zijn gezin te zien, nader te onderbouwen.
2.2.
[gedaagde] heeft het volgende overgelegd:
- een afsprakenoverzicht van Meerwaarde (maatschappelijk werk) te [plaats] van 11 juni 2025 waarin staat dat [gedaagde] vanaf juni 2025 tot en met mei 2025 maandelijks een afspraak had om hem bij te staan bij het aanvragen van diverse uitkeringen en het regelen van andere financiële kwesties;
- een afsprakenoverzicht van huisarts [betrokkene 1] te [plaats] van 13 juni 2025 waarin staat dat [gedaagde] in de periode van oktober 2024 tot en met juni 2025 diverse keren de huisarts heeft bezocht;
- bankafschriften over de periode mei 2024 tot en met mei 2025 waarin pintransacties in [plaats] zijn opgenomen;
- verklaringen van twee vrienden van [gedaagde] die zeggen hem in het gehuurde te hebben bezocht;
- afspraken van [gedaagde] met het Spaarne Gasthuis en met Pearl Opticiens en verdere medische informatie van de cardioloog en de neuroloog, waarin staat dat hij enkele afspraken in Nederland heeft gehad;
- verklaring van de echtgenote van [gedaagde] die aangeeft dat [gedaagde] vanaf mei 2024 weer permanent in Nederland woont;
- verklaring van de buurman van [gedaagde], de heer [betrokkene 2] en verklaringen van andere buren die aangeven geen overlast van [gedaagde] te ondervinden;
- overzicht van de medicatie van [gedaagde] die hij sinds april 2025 krijgt van de apotheek in [plaats];
Verder heeft [gedaagde] getuigenbewijs aangeboden.
[gedaagde] heeft aan de hand van deze stukken betoogd dat hij vanaf mei 2024 tot en met heden zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad.
2.3.
Volgens Ymere staat vast dat [gedaagde] in de periode 2021 – 2024 niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad en dat hij de woning aan derden in gebruik heeft gegeven. Deze wanprestaties zijn voldoende om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Dat de situatie sinds april 2024, toen [gedaagde] begreep dat hij zijn hoofdverblijf niet had mogen verplaatsen, mogelijk is gewijzigd, maakt de wanprestatie uit het verleden niet ongedaan. Uit de bankafschriften kan niet worden afgeleid dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf weer in het gehuurde heeft: er is sprake van vele automatische afschrijvingen, de uitgaven voor boodschappen zijn zeer beperkt en er worden vooral bedragen opgenomen die verband lijken te houden met gokken. Ymere vermoedt dat de bankpas door derden wordt gebruikt. In de maanden juni 2024 tot en met september 2024 zijn er geen uitgaven voor boodschappen gedaan. Medische afspraken vinden vaak telefonisch plaats, aldus – steeds - Ymere.
2.4.
In het tussenvonnis is al vastgesteld dat [gedaagde] in de periode 2021 – 2024 zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft gehad en dat die wanprestatie niet meer ongedaan kan worden gemaakt. De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] zich niet als goed huurder heeft gedragen en dat hij zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft gehad, kan daarom worden toegewezen. Op grond van die tekortkoming kan de huurovereenkomst op vordering van Ymere worden ontbonden tenzij deze gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
In dit verband is van belang dat het langdurige verblijf van [gedaagde] in Tsjechië in voornoemde periode vooral verband lijkt te houden met zijn medische situatie. [gedaagde] heeft toegelicht dat hij door het beroep van zijn vrouw in Tsjechië makkelijker een medische behandeling kon krijgen. Voor de hand ligt ook dat het voor zijn herstel makkelijker was om bij zijn gezin te verblijven dan alleen in Nederland. Verder heeft hij weliswaar mogelijk gemaakt dat een derde in zijn afwezigheid gebruik kon maken van zijn woning, maar niet gebleken is dat hij dat deed voor eigen gewin. Het voorgaande kleurt de aard en ernst van de wanprestatie.
2.5.
Uit de bankafschriften blijkt dat weliswaar veel uitgaven via automatische overboekingen verlopen, hetgeen op zichzelf niet ongebruikelijk is, maar dat de meeste andere pinbetalingen in en rond [plaats] plaatsvinden. In de maanden dat geen pinbetalingen voor boodschappen te traceren zijn, zijn wel contante bedragen opgenomen uit een geldautomaat in de buurt van het gehuurde. Daarmee kunnen de boodschappen ook zijn betaald. Er zijn geen aanwijzingen voor de suggestie van Ymere dat [gedaagde] zijn pinpas aan iemand anders heeft gegeven. Uit het afspraken overzicht van Meerwaarde blijkt dat [gedaagde] daar op de locatie is geweest op 24 juni 2024, 18 juli 2024 (met hele gezin), 20 augustus 2024 (met hele gezin), 28 augustus 2024, 10 september 2024, 12 september 2024, 8 oktober 2024, 10 oktober 2024, 19 november 2024, 21 november 2024, 5 december 2024, 10 december 2024, 16 januari 2025, 4 februari 2025, 11 maart 2025 (met echtgenote), 13 maart 2025 (met echtgenote) en 20 maart 2025. Er hebben daarnaast enkele telefonische contacten plaats gevonden. Verder had [gedaagde] afspraken met medici in het ziekenhuis op 20 januari 2025, 24 maart 2025, 26 maart 2025 en 14 april 2025 en een diabetescontrole bij Pearle Opticiens op 28 maart 2025. Hieruit blijkt dat [gedaagde] vanaf juni 2024 tot en met april 2025 tenminste één keer per maand (en soms vaker) in Nederland een afspraak had. Dat gegeven in combinatie met de pinbetalingen en geldopnames in die periode plus de verklaringen van zijn echtgenote, enkele vrienden en enkele buren, leidt tot de conclusie dat [gedaagde] in ieder geval vanaf juni 2024 zijn hoofdverblijf weer in het gehuurde heeft. Dat maakt ook dat ontbinding van de huurovereenkomst ernstige gevolgen voor hem heeft omdat hij dan immers zijn woning kwijt is.
2.6.
Zoals in het tussenvonnis is overwogen, ligt het niet voor de hand dat de ingebruikgeving en/of overlast zich nog voordoen als [gedaagde] in het gehuurde weer zijn hoofdverblijf heeft. Dat wordt bevestigd door de verklaringen van enkele buren die [gedaagde] heeft overgelegd. Ymere heeft in haar antwoordakte ook niet meer gesteld of toegelicht dat nog sprake is van ingebruikgeving en/of overlast.
2.7.
Gelet op het bovenstaande rechtvaardigt de wanprestatie van [gedaagde] de gevorderde ontbinding niet. De ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde zullen daarom worden afgewezen. De kantonrechter wijst er op dat [gedaagde] geacht wordt nu een gewaarschuwd man te zijn: voor langere periodes van afwezigheid heeft hij toestemming van Ymere nodig.
2.8.
In de uitkomst van deze procedure en hetgeen daartoe is overwogen ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] zich in de periode 2021 tot juni 2024 niet als goed huurder heeft gedragen (ex artikel 7:213 BW Pro) en in die periode zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft gehad en daarmee toerekenbaar tekort is geschoten jegens Ymere;
3.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2025.