ECLI:NL:RBNHO:2025:10177

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
14 augustus 2025
Publicatiedatum
3 september 2025
Zaaknummer
15/291279-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:14 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting ISD-maatregel wegens hoog recidiverisico en onvoltooide behandeling

De rechtbank Noord-Holland heeft op 14 augustus 2025 uitspraak gedaan over de tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel die op 4 december 2024 aan betrokkene is opgelegd. Betrokkene verzocht om beëindiging van de maatregel, maar de rechtbank heeft de rapportage van de inrichting en het advies van de deskundige meegewogen.

Uit de rapportage blijkt dat betrokkene nog niet is gestart met behandeling en resocialisatie, ondanks het volgen van enkele cursussen. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat en er is nog geen stabiele leefomgeving. De deskundige bevestigde dat een ambulant behandeltraject en begeleid wonen gepland staan, maar dat het traject enige vertraging heeft opgelopen.

De officier van justitie steunde voortzetting van de maatregel, terwijl de raadsman van betrokkene stelde dat voortzetting niet nodig is vanwege het ontbreken van een recidiverisico en de omstandigheden buiten de macht van betrokkene.

De rechtbank oordeelde dat voortzetting noodzakelijk is om onveiligheid, ernstige overlast en verloedering van het publieke domein te voorkomen. De vertraging in het traject is ongewenst maar beperkt, en het tijdspad voor verdere stappen is concreet. Daarom wordt de ISD-maatregel voortgezet.

Uitkomst: De rechtbank beslist tot voortzetting van de ISD-maatregel vanwege het hoge recidiverisico en het ontbreken van behandeling.

Uitspraak

de RECHTBANK noord-holland

Team Straf, locatie Alkmaar
Meervoudige kamer
Parketnummer: 15/291279-24
Uitspraakdatum: 14 augustus 2025
BESLISSING ex artikel 6:6:14 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv)van de rechtbank naar aanleiding van het vonnis van deze rechtbank van 4 december 2024 waarin aan de betrokkene:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum en -plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
nu gedetineerd in P.I. Rotterdam, locatie Hoogvliet,
de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de maatregel) is opgelegd.

1.De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de processtukken waaronder:
  • het verzoek van de betrokkene ex artikel 6:6:14 Sv Pro strekkende tot tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortduring van de tenuitvoerlegging van de maatregel;
  • het vonnis van deze rechtbank van 4 december 2024 waarin aan de betrokkene de maatregel is opgelegd voor de duur van twee jaren;
  • de ingevolge artikel 6:6:14 Sv Pro uitgebrachte rapportage van 22 juli 2025, opgemaakt onder verantwoordelijkheid van [naam 1], directeur van P.I. Rotterdam, locatie Hoogvliet, met daarbij als bijlage gevoegd een door de betrokkene ondertekend ‘Verblijfsplan ISD”, gedateerd 20 februari 2025.
Tijdens de behandeling ter openbare terechtzitting van 31 juli 2025 zijn gehoord de betrokkene, zijn raadsman mr. F.G.J. Staals en de officier van justitie.
Daarnaast is [naam 2], als senior casemanager ISD werkzaam bij P.I. Rotterdam, locatie Hoogvliet, als deskundige ter zitting gehoord.

2.Het standpunt van de inrichting

Uit de voornoemde rapportage van de inrichting van 22 juli 2025 volgt dat de betrokkene in het kader van de maatregel op 4 december 2024 is geplaatst in de P.I. Rotterdam, locatie Hoogvliet. De betrokkene heeft recent een psychiater gesproken ten behoeve van de trajectvorming. De betrokkene is op 21 juli 2025 besproken in het Psycho-Medisch Overleg (PMO) en op 23 juli 2025 in het Traject Bepalings Overleg (TBO) waar zijn zorgtraject zal worden vastgesteld. Daarnaast wordt in het rapport als positief vermeld dat de betrokkene bezig is met het volgen van cursussen die zijn kansen op de arbeidsmarkt na detentie vergroten, en dat de betrokkene de COVA-training en de leefstijltraining succesvol heeft afgerond.
Uit de rapportage volgt verder dat, indien de maatregel wordt opgeheven, de kans op recidive als hoog wordt ingeschat, omdat de betrokkene nog niet is gestart met behandeling en resocialisatie en er bovendien nog geen sprake is van een stabiele leefomgeving. Gelet hierop adviseert de directeur tot voortzetting van de maatregel.
Ter terechtzitting heeft de deskundige het advies uit de rapportage gehandhaafd. Ter aanvulling daarop heeft de deskundige verklaard dat uit het TBO is gebleken dat de betrokkene zal worden aangemeld voor een ambulant behandeltraject gericht op verslavingsproblematiek, en dat daarnaast zal worden ingezet op een traject voor begeleid wonen. De deskundige heeft aangegeven dat het voor een aanmelding bij De Wilde Vaart nu nog te vroeg is (omdat daar te weinig begeleiding is en te veel vrijheden worden gegeven), maar dat De Wilde Vaart op een later moment in het traject mogelijk wel in beeld kan komen. Verder heeft de deskundige bevestigd dat het ISD-traject van de betrokkene enige vertraging heeft opgelopen, maar de verwachting is dat deze vertraging de komende tijd zal worden ingelopen.

3.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel ter voorkoming van recidive en overlast moet worden voortgezet.

4.Het standpunt van betrokkene en zijn raadsman

De raadsman van de betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de maatregel moet worden beëindigd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat op dit moment geen noodzaak bestaat tot voortzetting van de maatregel, omdat het traject – door omstandigheden die buiten de invloedsfeer van de betrokkene liggen – tot op heden nauwelijks van de grond is gekomen. Voortzetting van de maatregel onder de huidige omstandigheden dient dan ook niet de doelen die met de oplegging van de maatregel worden beoogd. Voorts stelt de raadsman dat geen sprake is van een recidiverisico.

5.De beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat de maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en beëindiging van recidive alsmede, indien de betrokkene verslaafd is, een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek. De rechtbank beëindigt de maatregel indien zij, naar aanleiding van de inlichtingen over de noodzaak van de voortzetting van de maatregel, van oordeel is dat de verdere tenuitvoerlegging niet langer is vereist. Daarbij geldt het volgende beslissingskader. Allereerst moet worden vastgesteld of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige overlast en verloedering van het publieke domein. Daarna moet worden bezien of voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt.
De rechtbank stelt op grond van de hierboven genoemde stukken en het verhandelde ter terechtzitting vast dat sprake van is een hoog recidiverisico zolang de betrokkene nog niet is gestart met zijn behandeling en resocialisatie.
De rechtbank is van oordeel dat bij beëindiging van de maatregel onveiligheid, ernstige overlast dan wel verloedering van het publieke domein te verwachten is. De rechtbank wijst in dit verband op het in de rapportage als hoog ingeschatte recidiverisico, het uitgebreide strafblad van de betrokkene en de omstandigheid dat de betrokkene nog niet voor zijn problematiek is behandeld. Daarnaast acht de rechtbank de opgelopen vertraging in het traject van de betrokkene weliswaar ongewenst, maar op dit moment nog beperkt. Bovendien heeft de deskundige ter terechtzitting een concreet tijdspad gegeven over de volgende stappen van het traject van de betrokkene. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat de tenuitvoerlegging van de maatregel moet worden voortgezet.

6.De beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders van [betrokkene], geboren op [geboortedatum en -plaats], wordt voortgezet.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mr. C.S. Schoorl en mr. C.M.A.V. van Kleef, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H. de Koning,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 augustus 2025.