ECLI:NL:RBNHO:2025:10186

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 september 2025
Publicatiedatum
3 september 2025
Zaaknummer
9866197 \ CV FORM 22-2760
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Artikel 5 lid 1 sub c onder iii Verordening (EG) nr. 261/2004Artikel 5 lid 1 Verordening (EG) nr. 861/2007Artikel 150 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArtikel 6:83 sub b Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing compensatie voor geannuleerde vlucht wegens onvoldoende bewijs tijdige kennisgeving

Passagiers vorderden compensatie van de vervoerder Air France wegens annulering van vlucht AF1874 van Marseille naar Amsterdam op 12 juli 2020. De vervoerder stelde dat de annulering meer dan twee weken voor vertrek was medegedeeld, waardoor geen compensatie verschuldigd zou zijn.

De passagiers betwistten gemotiveerd dat zij tijdig geïnformeerd zijn, en de vervoerder slaagde er niet in dit te bewijzen. De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder onvoldoende onderbouwing leverde over de wijze en het tijdstip van mededeling aan de passagiers.

Daarom werd het verzoek tot compensatie toegewezen, inclusief wettelijke rente vanaf de datum van de vlucht, een gemaximeerd bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Een mondelinge behandeling werd geweigerd omdat deze niet noodzakelijk was voor een eerlijke rechtspleging.

Uitkomst: De vervoerder is veroordeeld tot betaling van compensatie en kosten wegens onvoldoende bewijs van tijdige annulering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9866197 \ CV FORM 22-2760
Uitspraakdatum: 3 september 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]

3. [verzoeker 3]allen wonende te [plaats 1]
4. [verzoeker 4]wonende te [plaats 2]
5. [verzoeker 5], wonende te [plaats 1]
verzoekende partijen
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Air France,
gevestigd te Roissy, Frankrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)
De zaak in het kortDe passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat hij niet hoeft te compenseren omdat hij de annulering meer dan twee weken voor de geplande vertrekdatum aan hen heeft medegedeeld. Omdat de passagiers dit gemotiveerd hebben betwist, staat dit naar het oordeel van de kantonrechter echter niet vast. Daarom wordt het verzoek tot compensatie toegewezen.

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A);
  • het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 12 juli 2020 vervoeren van Marseille, Frankrijk, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht AF1874 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 1.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 363,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per persoon. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat hij de annulering meer dan twee weken voor de geplande vertrektijd heeft medegedeeld aan de passagiers. [2]

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
In het vorderingsformulier hebben de passagiers aangegeven een mondelinge behandeling te verlangen, als de vervoerder reageert met stukken ter staving van zijn stellingen. De kantonrechter zal dit verzoek weigeren omdat zij, gezien de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat een eerlijke rechtspleging in deze zaak geen mondelinge behandeling vergt. [3]
4.3.
De passagiers stellen in het vorderingsformulier dat er sprake was van een schemawijziging, waardoor de vlucht voor hen als geannuleerd kon worden beschouwd. Omdat de vervoerder heeft erkend dat hij de vlucht heeft geannuleerd, staat dit in deze procedure vast. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat hij de annulering ten minste twee weken voor de geplande vertrektijd aan de passagiers heeft medegedeeld.
4.4.
De vervoerder voert aan dat de vlucht plaatsvond tijdens de coronaperiode, waarbij nagenoeg het gehele luchtverkeer stil lag. Hij heeft de vlucht in kwestie ook moeten annuleren. Daarbij heeft hij de passagiers op 10 juni 2020 omgeboekt en een nieuw ticket toegestuurd. Hij verwijst hierbij naar een schermafbeelding uit een intern systeem.
4.5.
De passagiers hebben al in het vorderingsformulier betwist dat de annulering aan hen is medegedeeld. Zij voeren aan dat zij zelf een dag voor vertrek de reisinformatie van hun vlucht hebben gecontroleerd en pas op dat moment op de hoogte zijn geraakt van de wijziging. Wellicht heeft de vervoerder de annulering gecommuniceerd aan hun reisagent, maar deze heeft hen niet geïnformeerd, aldus de passagiers.
4.6.
Het verweer van de vervoerder slaagt niet. De vervoerder doet een beroep op de gevolgen van de tijdige mededeling van de annulering aan de passagiers. Daarom rustte op hem de last te bewijzen dat hij hen tijdig heeft geïnformeerd. [4] Door de gemotiveerde betwisting van de passagiers is hij hier niet in geslaagd. Weliswaar heeft de vervoerder toegelicht dat hij de passagiers op 10 juni 2020 heeft omgeboekt maar hij heeft daarbij niet toegelicht of en op welke wijze hij de passagiers daarvan op de hoogte heeft gebracht. Het had op zijn weg gelegen om nader te onderbouwen wanneer en op welke wijze de passagiers zijn geïnformeerd over de wijziging, bijvoorbeeld door e-mailberichten of communicatie van het reisbureau van de passagiers over te leggen. De overgelegde schermafbeelding maakt dit niet anders omdat uit de daarin vermelde codes niet zonder meer blijkt dat de annulering en omboeking zijn gecommuniceerd aan de passagiers. Daarom staat dit niet vast. De verzochte compensatie zal dan ook worden toegewezen.
4.7.
De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar is met ingang van de datum waarop de passagiers schade hebben geleden. Dat is de datum waarop de passagiers op de eindbestemming hadden moeten aankomen. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade. Daarom is deze schade terstond opeisbaar. [5] Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 12 juli 2020.
4.8.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het verzochte bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het verzochte bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 226,88 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen.
4.9.
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van het indienen van het vorderingsformulier. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Zij hebben niet gesteld dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
4.10.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.
4.11.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. [6]

5.De beslissingDe kantonrechter:

5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.476,88, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.250,00 vanaf 12 juli 2020 en over € 226,88 vanaf 6 mei 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 244,00 aan griffierecht en € 204,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt,
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van Pro de Verordening.
2.Artikel 5 lid 1 sub c onder Pro iii van de Verordening.
3.Op grond van artikel 5 lid 1 van Pro de Verordening tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen nr. 861/2007 (EPGV-Verordening).
4.Artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
5.Artikel 6:83 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek.
6.Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van Pro de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.