ECLI:NL:RBNHO:2025:10187

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 september 2025
Publicatiedatum
3 september 2025
Zaaknummer
11653078 \ CV FORM 25-2388
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatieverzoek passagier wegens geannuleerde vlucht en beoordeling van buitengewone omstandigheden door de kantonrechter

In deze zaak heeft een passagier compensatie aangevraagd van de vervoerder, EasyJet Europe Airline GmbH, vanwege een geannuleerde vlucht van Bristol naar Amsterdam op 1 mei 2023. De vervoerder stelde dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk dat het personeel van een latere vlucht uit de uren dreigde te lopen. De kantonrechter oordeelde echter dat deze reden geen buitengewone omstandigheid vormde voor de annulering van de vlucht in kwestie. De kantonrechter wees het verzoek van de passagier toe, waarbij hij de vervoerder veroordeelde tot betaling van € 250,00 aan compensatie, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de annulering. Daarnaast werden de proceskosten aan de kant van de passagier toegewezen, terwijl het verzoek om vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen. De kantonrechter benadrukte dat de vervoerder onvoldoende had aangetoond dat de annulering onvermijdelijk was en dat hij geen andere opties had overwogen. De beslissing werd genomen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en is openbaar uitgesproken op 3 september 2025.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11653078 \ CV FORM 25-2388
Uitspraakdatum: 3 september 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoeker]wonende te [plaats]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagier
gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
De zaak in het kortDe passagier heeft compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Volgens hem moest de vlucht geannuleerd worden omdat het personeel van een vlucht die na de vlucht in kwestie zou worden uitgevoerd, uit de uren dreigde te lopen. Naar het oordeel van de kantonrechter levert dat echter geen buitengewone omstandigheid voor de vlucht in kwestie op. Daarom wordt het verzoek van de passagier toegewezen.

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A);
  • het verweerschrift.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 1 mei 2023 vervoeren van Bristol, Verenigd Koninkrijk, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht EC2923 dan wel EJU2923 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
3.2.
De passagier baseert haar verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,-. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden. [2]

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. [3]
4.3.
De vervoerder voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievlucht Malaga – Bristol – Amsterdam – Bristol – Malaga (vluchtnummers EJU7003, EJU2923, EJU2924 en EJU7004). Vlucht EJU7003 van Malaga naar Bristol werd met ongeveer tweeënhalf uur vertraagd. Daardoor kon de bemanning niet de rotatie Bristol – Amsterdam – Bristol – Malaga afmaken zonder (op de laatste vlucht) de wettelijke werktijden te overschrijden. Daarop heeft de vervoerder besloten de vlucht in kwestie, vlucht EJU2924 en EJU7004 te annuleren. Ter onderbouwing verwijst de vervoerder onder meer naar vluchtrapporten.
4.4.
Het verweer van de vervoerder slaagt niet. Naar het oordeel van de kantonrechter kan bij de beoordeling in het midden blijven of de vertraging van de vertraagde vlucht EJU7003 van Malaga naar Bristol het gevolg was van buitengewone omstandigheden. De vervoerder heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat hem door deze vertraging geen andere optie restte dan de vlucht in kwestie te annuleren. Weliswaar stelt de vervoerder dat de bemanning anders ‘uit de uren zou lopen’, maar dat gold alleen voor de latere vlucht EJU7004 van Bristol naar Malaga en dus niet voor de vlucht in kwestie. Hij heeft in het geheel niet toegelicht dat er andere opties zijn overwogen, zoals enkel het annuleren van de laatste vlucht van de rotatie of de inzet van een andere bemanning. Bij deze stand van zaken kan daarom niet worden geoordeeld dat de vervoerder geen invloed had op de annulering van de vlucht in kwestie en daarmee evenmin dat deze het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Wellicht heeft de vervoerder keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van de onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat hem niet van zijn verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Daarom zal het verzoek worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als anderszins onbetwist eveneens toewijsbaar.
4.5.
Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. De passagier heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de passagier vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
4.6.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze grotendeels ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt.
4.7.
Op verzoek van de passagier zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. [4]

5.De beslissingDe kantonrechter:

5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 mei 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op € 90,00 aan griffierecht en € 82,00 aan salaris gemachtigde, en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 41,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van de Verordening.
2.Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
3.Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.
4.Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.