De rechtbank Noord-Holland heeft op 4 februari 2025 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van seksueel binnendringen en ontucht van een minderjarige. De tenlastelegging betrof handelingen gepleegd tussen juli 2018 en oktober 2023, waarbij sprake zou zijn van seksueel binnendringen en ontuchtige handelingen jegens een minderjarige.
De officier van justitie eiste vrijspraak voor het ontuchtige feit wegens gebrek aan steunbewijs, maar vorderde een gevangenisstraf van 36 maanden voor het feit van seksueel binnendringen. De verdediging betwistte beide feiten en voerde aan dat de verklaringen van het slachtoffer onvoldoende worden ondersteund door ander bewijs.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer weliswaar consistent en gedetailleerd waren, maar onvoldoende steunbewijs bevatten. Getuigenverklaringen en forensisch bewijs boden geen overtuigende bevestiging van de beschuldigingen. Het DNA-spoor op kleding was niet overtuigend bewijs voor penetratie. Gezien het bewijsminimum in zedenzaken en het ontbreken van voldoende steunbewijs sprak de rechtbank de verdachte vrij van beide feiten.
De benadeelde partij had een schadevordering ingediend, maar deze werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte integraal werd vrijgesproken. De rechtbank bepaalde dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op.