In deze zaak hebben twee passagiers een verzoek ingediend bij de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, om compensatie van de luchtvaartmaatschappij Air France wegens vertraging van hun vlucht. De passagiers hadden een vervoersovereenkomst gesloten voor een vlucht van Bordeaux naar Amsterdam via Parijs op 23 september 2024. De vlucht van Bordeaux naar Parijs (AF7437) was vertraagd, waardoor zij meer dan drie uur later op hun eindbestemming arriveerden. De passagiers vroegen compensatie van € 500,00 per persoon, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, op basis van de Europese Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder, Air France, voerde verweer en stelde dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, zoals beperkingen door de luchtverkeersleiding en een vertraagde (grond)afhandeling. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen en dat de vervoerder in beginsel verplicht is tot compensatie, tenzij deze kan aantonen dat de vertraging het gevolg was van omstandigheden die niet konden worden voorkomen.
Na beoordeling van de feiten en het verweer van de vervoerder, concludeerde de kantonrechter dat de vervoerder voldoende had aangetoond dat de vertraging was veroorzaakt door buitengewone omstandigheden. De kantonrechter wees het verzoek van de passagiers af en veroordeelde hen tot betaling van de proceskosten aan de vervoerder. De beschikking is gegeven door mr. M.W. Koenis en is uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.