De passagiers hadden een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Bordeaux via Parijs naar Amsterdam op 23 september 2024. De vlucht werd met meer dan drie uur vertraging uitgevoerd, waarna de passagiers compensatie vorderden op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder stelde dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, waaronder beperkingen door de luchtverkeersleiding en slechte weersomstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen. De rechtbank stelde vast dat deze omstandigheden voldoende waren onderbouwd en dat de vertraging daardoor gerechtvaardigd was.
Verder oordeelde de rechtbank dat de vervoerder de passagiers redelijk had omgeboekt op een alternatieve vlucht, waardoor niet meer van de vervoerder kon worden verwacht. De vordering tot compensatie werd daarom afgewezen en de passagiers werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.