ECLI:NL:RBNHO:2025:10479

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 september 2025
Publicatiedatum
11 september 2025
Zaaknummer
9231115 \ CV FORM 21-3436
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatie voor passagiers door vertraging van vlucht en gevolgen voor aansluitende vlucht

In deze zaak hebben passagiers compensatie aangevraagd van de vervoerder, Air France, vanwege een vertraagde vlucht die hen verhinderde om hun aansluitende vlucht naar Havana te halen. De vertraging van de vlucht was deels het gevolg van buitengewone omstandigheden, zoals opgelegde latere vertrektijden door de luchtverkeersleiding. De vervoerder stelde dat deze omstandigheden de reden waren voor de vertraging, maar de kantonrechter oordeelde dat de vervoerder niet voldoende had aangetoond wat de minimaal haalbare overstaptijd was voor de passagiers. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of de passagiers hun aansluitende vlucht nog hadden kunnen halen zonder de buitengewone omstandigheden. De kantonrechter wees het verzoek van de passagiers grotendeels toe, omdat de vervoerder niet kon bewijzen dat de vertraging volledig te wijten was aan buitengewone omstandigheden. De passagiers kregen compensatie voor de vertraging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De proceskosten werden ook aan de vervoerder opgelegd, omdat deze ongelijk kreeg in de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9231115 \ CV FORM 21-3436
Uitspraakdatum: 10 september 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]handelende voor zichzelf en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige kind
[minderjarige]

3. [verzoeker 3]

4. [verzoeker 4]

5. [verzoeker 5]

wonende te [plaats]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Air France
gevestigd te Roissy, Frankrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)
De zaak in het kortDe passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een vertraagde vlucht. Hierdoor hebben zij de overstap op een aansluitende vlucht gemist. De vervoerder voert aan dat de vertraging van de vlucht grotendeels het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk (onder meer) een latere opgelegde vertrektijd aan zowel de vlucht in kwestie als aan voorgaande vluchten. Omdat de vervoerder niet heeft toegelicht wat de minimaal haalbare overstaptijd voor de passagiers was, kan de kantonrechter echter niet beoordelen in hoeverre zij de aansluitende vlucht nog hadden kunnen halen als de buitengewone omstandigheden zich niet hadden voorgedaan. Daarom slaagt het betoog van de vervoerder niet en wordt het verzoek van de passagiers grotendeels toegewezen.

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A);
  • het bericht met aanvullende producties aan de zijde van de passagiers;
  • het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift.
2.
De feiten
2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 23 mei 2019 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Parijs, Frankrijk, naar Havana, Cuba, met vluchtcombinatie AF1641 en AF946.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht AF1641 van Amsterdam naar Parijs (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
2.5.
Passagier sub 2 is door de kantonrechter gemachtigd om deze procedure namens zijn minderjarige kind te voeren.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- 3.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 586,85 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden. [2]

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
De vertraging van de vlucht was gedeeltelijk het gevolg van buitengewone omstandigheden
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging van de vlucht en het missen van de aansluitende vlucht het gevolg zijn geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. [3]
4.3.
De vervoerder voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievluchten Parijs – Amsterdam – Parijs – Amsterdam – Parijs (vluchtnummers AF1240, AF1241, AF1640 en AF1641). Vlucht AF1240 van Parijs naar Amsterdam kreeg een latere vertrektijd opgelegd door de luchtverkeersleiding en werd daardoor met 25 minuten vertraging uitgevoerd. Deze vertraging werkte door op vlucht AF1241 van Amsterdam naar Parijs. Tijdens het omdraaiproces is daarnaast nog extra vertraging opgetreden. Daardoor is vlucht AF1241 uiteindelijk met 45 minuten vertraging uitgevoerd.
4.4.
Deze vertraging werkte weer door op vlucht AF1640 van Parijs naar Amsterdam. Vervolgens werd ook aan vlucht AF1640 een latere vertrektijd opgelegd, waardoor deze vlucht met 53 minuten vertraging is uitgevoerd. Tot slot mocht ook de vlucht in kwestie 28 minuten later vertrekken dan gewenst. De vlucht in kwestie is uiteindelijk met anderhalf uur vertraging aangekomen. Daardoor hebben de passagiers de aansluitende vlucht gemist. Ter onderbouwing verwijst de vervoerder onder meer naar vluchtrapporten en berichten van de luchtverkeersleiding.
4.5.
De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder voldoende heeft onderbouwd dat vlucht AF1240 van Parijs naar Amsterdam met 25 minuten werd vertraagd omdat de luchtverkeersleiding een latere vertrektijd aan het toestel oplegde. Als de luchtverkeersleiding een dergelijke beperking oplegt aan een toestel, heeft dit niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. De instructies van de luchtverkeersleiding moeten immers altijd worden opgevolgd. Dit is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij heeft daar ook geen invloed op. Dit betekent dat 25 minuten van de vertraging van vlucht AF1240 het gevolg waren van buitengewone omstandigheden.
4.6.
De vervoerder heeft eveneens voldoende onderbouwd dat deze vertraging doorwerkte op vlucht AF1241 van Amsterdam naar Parijs. De aanvullende vertraging door de langere omdraaitijd is echter niet het gevolg van een buitengewone omstandigheid; de vervoerder heeft daarvoor onvoldoende toegelicht wat de precieze oorzaak was van deze vertraging. Dit betekent dat de vertraging van vlucht AF1241 voor 25 minuten het gevolg was van buitengewone omstandigheden. De vervoerder heeft voldoende onderbouwd dat deze vertraging vervolgens weer doorwerkte op vlucht AF1640 van Parijs naar Amsterdam en dat aan deze vlucht ook een latere vertrektijd opgelegd werd door de luchtverkeersleiding, hetgeen, zoals hierboven overwogen, een buitengewone omstandigheid is. Dit betekent dat de vertraging van vlucht AF1640 voor de duur van 33 minuten het gevolg was van buitengewone omstandigheden.
4.7.
Ten slotte heeft de vervoerder voldoende onderbouwd dat deze vertraging doorwerkte op de vlucht in kwestie en dat ook de vlucht in kwestie met 28 minuten werd vertraagd door beslissingen van de luchtverkeersleiding. Hij heeft niet toegelicht waarom de vertraging uiteindelijk is opgelopen tot anderhalf uur. Dit betekent dat de resterende 9 minuten vertraging niet als het gevolg van een buitengewone omstandigheid worden beschouwd. Al met al betekent dit dat 1 uur en 1 minuut van de vertraging van de vlucht in kwestie het gevolg waren van buitengewone omstandigheden.
De kantonrechter kan niet beoordelen in hoeverre het missen van de overstap het gevolg was van de buitengewone omstandigheden
4.8.
Omdat de aankomstvertraging van de vlucht deels door buitengewone en deels door andere omstandigheden is veroorzaakt, moet worden vastgesteld of de passagiers hun aansluitende vlucht zouden hebben gehaald zonder de buitengewone omstandigheid. De passagiers zijn met anderhalf uur vertraging, om 16:45 uur (lokale tijd), aangekomen in Parijs. Zonder de buitengewone omstandigheden van 1 uur en 1 minuten, zouden de passagiers dus om 15:44 uur zijn aangekomen in Parijs. Volgens de passagiers stond de aansluitende vlucht naar Havana gepland om om 16:10 uur te vertrekken. Omdat geen van beide partijen hier iets over heeft aangevoerd, zal de kantonrechter er vanuit gaan dat deze vlucht volgens planning is vertrokken.
4.9.
De kantonrechter kan echter niet beoordelen in hoeverre de passagiers deze overstap in dat geval gehaald zouden hebben. De vervoerder heeft immers niet gesteld wat de minimumoverstaptijd (MCT) op de luchthaven van Parijs bedraagt. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de uiteindelijke langdurige vertraging van de passagiers op de eindbestemming het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Dit betekent dat het verweer van de vervoerder niet slaagt en het verzoek van de passagiers wordt toegewezen. De kantonrechter komt niet toe aan het verzoek van de passagiers om nog te mogen reageren op de stukken van de vervoerder.
De wettelijke rente en overige kosten worden grotendeels toegewezen
4.10.
De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is toewijsbaar met ingang van de datum waarop de passagiers schade hebben geleden. Dat is de datum waarop de passagiers op de eindbestemming hadden moeten aankomen. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade terstond opeisbaar is. [4] Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 23 mei 2019.
4.11.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat zij hiervoor kosten hebben gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het verzochte bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
4.12.
De verzochte wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van het indienen van het vorderingsformulier. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Zij hebben niet gesteld dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
4.13.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.
4.14.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. [5]

5.De beslissingDe kantonrechter:

5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 4.186,85, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.600,00 vanaf 23 mei 2019, en over € 586,85 vanaf 21 mei 202v1, tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 240,00 aan griffierecht en € 271,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 135,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt,
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van de Verordening.
2.Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
3.Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.
4.Artikel 6:83 sub b BW.
5.Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de EPGV-Verordening.