ECLI:NL:RBNHO:2025:10630

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
16 september 2025
Zaaknummer
11524040 CV EXPL 25-400
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling facturen en vordering wettelijke rente en incassokosten bij transportovereenkomst

KPL verzorgt goederenvervoer en verstrekte transportorders aan eiseres, die facturen stuurde voor uitgevoerde werkzaamheden. Twee facturen van respectievelijk 21 september 2024 en 11 oktober 2024 stonden centraal. De factuur van 11 oktober 2024 werd binnen de afgesproken betaaltermijn van 60 dagen voldaan, maar de factuur van 21 september 2024 werd pas na dagvaarding betaald, namelijk op 10 februari 2025.

Eiseres vorderde betaling van de factuur, wettelijke handelsrente en incassokosten. KPL voerde verweer dat de factuur van 11 oktober tijdig was betaald en dat de factuur van 21 september pas later was ontvangen. De kantonrechter stelde echter vast dat de factuur van 21 september op het juiste e-mailadres was verzonden en dat KPL niet tijdig betaalde.

De rechter oordeelde dat KPL in verzuim was voor de factuur van 21 september 2024 en veroordeelde KPL tot betaling van de wettelijke handelsrente over die factuur vanaf 27 november 2024 tot 10 februari 2025. Daarnaast werd een bedrag van €161,25 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De proceskosten werden aan KPL opgelegd, waarbij het griffierecht werd beperkt tot het bedrag dat betrekking had op de toegewezen vordering.

Uitkomst: KPL is veroordeeld tot betaling van wettelijke handelsrente, incassokosten en proceskosten wegens te late betaling van een factuur.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11524040 \ CV EXPL 25-400
Vonnis van 24 september 2025
in de zaak van
[eiseres] , H.O.D.N. ANGEL INTERNATIONAL TRANS,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
KPLogistiek B.V.,
te Heerhugowaard,
gedaagde partij,
hierna te noemen: KPL,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
KPL verzorgt goederenvervoer over de weg. Zij heeft transportorders verstrekt aan [eiseres] die die orders heeft uitgevoerd. [eiseres] heeft voor het werk facturen aan KPL gezonden. Dat zijn de factuur 202300540 van 21 september 2024 van € 1.075,00 en de factuur 202300547 van 11 oktober 2024 van € 1.800,00.
2.2.
[eiseres] heeft KPL op 27 november 2024 aangemaand om die facturen te betalen. De factuur van 11 oktober 2024 is (volgens de dagvaarding) betaald op 16 december 2024. De factuur van 21 september 2024 is betaald op 10 februari 2025. Dat is nadat [eiseres] KPL had gedagvaard.

3.Het geschil

3.1.
De oorspronkelijk vordering van [eiseres] zag op betaling van de factuur van 21 september 2024, vervallen wettelijke rente ten aanzien van beide facturen en incassokosten. Na de betaling van de factuur van 21 september 2024 heeft [eiseres] die vordering verminderd met € 1.075,00.
3.2.
[eiseres] stelt dat KPL in verzuim was ten aanzien van de betaling van de beide facturen. Er zijn incassowerkzaamheden verricht en KPL is aangemaand. [eiseres] maakt daarom aanspraak op de wettelijke handelsrente en vergoeding voor incassokosten. Nadat er nog steeds niet volledig was betaald, is tot dagvaarding overgegaan.
3.3.
KPL voert verweer tegen de rente en kosten. Zij stelt in haar antwoord dat zij de factuur van 11 oktober 2024 binnen de betaaltermijn van 60 dagen heeft betaald. KPL heeft de factuur van 21 september 2024 pas bij de aanmaning van 27 november 2024 ontvangen en na dagvaarding betaald.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Omdat [eiseres] na de betaling van de factuur de eis heeft verminderd, hoeven alleen de vorderingen betreffende de wettelijke handelsrente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten besproken te worden.
De betaaltermijn is 60 dagen
4.2.
KPL voert aan dat de betaaltermijn 60 dagen is. [eiseres] heeft dit betoog niet weersproken. [eiseres] heeft in reactie op het verweer ook niet gesteld of onderbouwd dat voor de transportorders een andere betalingstermijn geldt. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de toepasselijke betaaltermijn 60 dagen is.
KPL heeft de factuur van 11 oktober 2024 op tijd betaald
4.3.
[eiseres] stelt in reactie op het verweer van KPL dat zij de factuur 202300547 van 11 oktober 2024 op 27 november 2024 aan KPL heeft gestuurd. Volgens de dagvaarding is het bedrag van € 1.800,00 betaald op 16 december 2024. Dat is dus binnen de toepasselijke betaaltermijn van 60 dagen. KPL is voor wat betreft deze factuur niet in verzuim.
KPL heeft de factuur van 21 september 2024 te laat betaald
4.4.
[eiseres] stelt naar aanleiding van het verweer van KPL dat zij de factuur 202300540 op 27 september 2024 aan het door KPL daarvoor aangewezen e-mailadres heeft gestuurd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [eiseres] een afdruk van een e-mail van 27 september 2024 om 13:13:15 uur aan crediteuren-transport@kplogistiek.nl met als onderwerp Uw factuur 202300540 verstrekt. [1] KPL heeft vervolgens haar standpunt dat de factuur pas op 27 november 2024 was toegestuurd gehandhaafd. Volgens KPL had [eiseres] de factuur eerder naar een verkeerd e-mailadres gestuurd en niet naar het aangewezen e-mailadres crediteuren-transport@kplogistiek.nl. De kantonrechter constateert dat KPL kennelijk over het hoofd ziet dat de e-mail van 27 september het juiste e-mailadres vermeldt. KPL is niet ingegaan op dit bewijsstuk van [eiseres] . De kantonrechter stelt daarom als onvoldoende betwist vast dat de factuur 202300540 van 21 september 2024 op 27 september 2024 aan het door KPL daarvoor aangewezen e-mailadres is gezonden en op correcte wijze bij KPL is ingediend. Uitgaande van een betaaltermijn van 60 dagen, had deze factuur uiterlijk op 26 november 2024 betaald moeten zijn. Die factuur is pas op 10 februari 2025 betaald en dat is dus te laat.
De wettelijke handelsrente
4.5.
De betaaltermijn brengt met zich dat als niet binnen die termijn wordt betaald, de crediteur (in dit geval KPL) zonder ingebrekestelling in verzuim is. [2] KPL heeft de factuur 202300540 niet op tijd betaald en is dus in verzuim. Zij is dan ook vanaf 27 november 2025 tot de dag van volledige betaling (10 februari 2025) de wettelijke handelsrente [3] over het factuurbedrag van € 1.075,00 verschuldigd. Dat deel van de vordering van [eiseres] wordt toegewezen, zoals hierna nader bepaald.
4.6.
Het in de dagvaarding berekende bedrag aan wettelijke handelsrente kan niet worden toegewezen, omdat die rente ook over de factuur 202300547 is berekend terwijl de rente over die factuur niet verschuldigd is.
De buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
4.7.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende is gesteld en gebleken dat in verband met de incasso van de factuur van 21 september 2024 daadwerkelijk incassohandelingen zijn verricht. [eiseres] heeft terecht op 27 november 2024 KPL aangemaand. Van de gevorderde vergoeding zal, gerelateerd aan het bedrag van de factuur van 21 september 2024 en volgens het toepasselijke wettelijk tarief, een bedrag van € 161,25 worden toegewezen.
4.8.
KPL is hoofdzakelijk in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eiseres] is op goede gronden tot dagvaarding van de factuur van 21 september 2024 overgegaan en KPL is voldoende in de gelegenheid geweest om deze factuur op tijd te betalen.
4.9.
[eiseres] heeft, gelet op wat hiervoor bij 4.3. met betrekking tot de tijdige betaling van de factuur van 11 oktober 2024 is geoordeeld, KPL voor een te hoog bedrag gedagvaard. Daarom kan KPL ten aanzien van het griffierecht slechts worden veroordeeld tot betaling van het griffierecht dat verschuldigd is voor het toe te wijzen bedrag, te weten € 226,00. Het meerdere, dat op grond van de dagvaarding aan [eiseres] in rekening is gebracht, dient voor haar rekening te blijven.
4.10.
De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,25
- griffierecht
226,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punt × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
858,25.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt KPL om aan [eiseres] te betalen de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 1.075,00 vanaf 27 november 2024 tot 10 februari 2025,
5.2.
veroordeelt KPL om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 161,25 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt KPL in de proceskosten van € 858,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als KPL niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2025.
CK

Voetnoten

1.Bijlage 2 bij de conclusie van repliek.
2.Artikel 6:83 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 6:119a BW.