Eiseres, een logistiek dienstverlener en geautoriseerde marktdeelnemer, heeft goederen onder de douaneregeling 'extern Uniedouanevervoer' geplaatst, maar deze niet bij het kantoor van bestemming aangebracht. Hierdoor ontstond een douaneschuld die verweerder heeft vastgesteld via twee uitspraken tot belasting (utb's).
Eiseres voerde aan dat de regeling alsnog gezuiverd had moeten worden door alternatieve bewijsstukken, waaronder afgestempelde T1-documenten en een CMR-vrachtbrief, en dat het nultarief voor de omzetbelasting van toepassing was. Verweerder betwistte dit en stelde dat de goederen niet waren aangebracht, de alternatieve documenten niet als bewijs konden dienen en dat het nultarief niet toepasselijk was.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet voldeed aan haar verplichting de goederen aan te brengen bij het kantoor van bestemming en geen geldig alternatief bewijs leverde dat de goederen het douanegebied hadden verlaten. De CMR-vrachtbrief en overige documenten waren onvoldoende om aannemelijk te maken dat de goederen daadwerkelijk aan boord van het schip waren gebracht. Het beroep op het vertrouwens-, gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel faalde omdat verweerder het derde T1-document ook niet had aangezuiverd, maar vanwege gering financieel belang geen utb had opgelegd.
De rechtbank concludeerde dat de douaneschuld terecht is vastgesteld, het nultarief omzetbelasting niet van toepassing is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.