ECLI:NL:RBNHO:2025:11095

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
29 september 2025
Zaaknummer
HAA 24/6520
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Douanevrijstelling voor terugkerende goederen: Trouwring en andere ringen

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 25 september 2025 uitspraak gedaan over de vraag of een reiziger vrijstelling van invoerrechten kan krijgen voor drie ringen die zij uit Turkije heeft meegenomen. De eiseres, woonachtig in Nederland, had op 19 juni 2023 de ringen via het groene kanaal op Schiphol meegenomen, zonder deze aan te geven. De douane had een uitnodiging tot betaling (utb) van € 696,73 opgelegd, bestaande uit douanerechten en omzetbelasting. Eiseres stelde dat de ringen Uniegoederen waren en dat zij geen invoerrechten verschuldigd was, omdat de ringen in dezelfde staat waren teruggekeerd. De rechtbank oordeelde dat de trouwring, die door een ongeval was beschadigd en gerepareerd, in dezelfde staat was teruggekeerd en dat eiseres daarom ten onrechte invoerrechten en omzetbelasting waren opgelegd voor deze ring. Voor de andere twee ringen, waarvan de steentjes waren vervangen, oordeelde de rechtbank dat deze niet in dezelfde staat waren teruggekeerd, waardoor de invoerrechten en omzetbelasting wel verschuldigd waren. De rechtbank verlaagde de utb tot € 384,40 en kende eiseres een schadevergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/7885
uitspraak van de enkelvoudige douanekamer van 25 september 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

de inspecteur van de Douane, verweerder.

Inleiding

Dit beroep gaat over de vraag of vrijstelling van invoerrechten moet worden verleend voor drie ringen die een reiziger uit Turkije terug heeft meegenomen.

Procesverloop

Op 19 juni 2023 heeft verweerder aan eiseres een uitnodiging tot betaling (utb)met kenmerk [#] uitgereikt van € 696,73, bestaande uit € 72,50 aan douanerechten en
€ 624,23 aan omzetbelasting.
Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar met de uitspraak op bezwaar van
16 oktober 2024 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft een nader stuk overgelegd.
De zaak is op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen samen met haar echtgenoot [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. [naam 2] .

Feiten

1. Eiseres, woonachtig in Nederland, is op 19 juni 2023 vanuit Turkije op Schiphol aangekomen. Eiseres verliet de aankomsthal via het zogenaamde groene kanaal “niets aan te geven”. Tijdens een controle zijn, zo volgt uit de Douane Registratie en Afdoening, de volgende goederen aangetroffen:
“AantalOmschrijving 1 stuk
Vindplaats Ruimbagage/handbagage
(…)
Grondslag € 1.300
(…)
ExtraOmschrijving 1x gouden trouwring 14K met 0,25ct Brilliant
(…)
AantalOmschrijving 1 stuk
Vindplaats Ruimbagage/handbagage
(…)
Grondslag € 1.600
(…)
ExtraOmschrijving 2x gouden ringen 14K met 0,25ct Brilliant (…)”.
2. Op 19 juni 2023 heeft verweerder eiseres verhoord. Daarvan is een op ambtsbelofte proces-verbaal fiscaal van verhoor opgemaakt met nummer 2023-0203-002715 (proces-verbaal). In dit proces-verbaal is - voor zover van belang - het volgende vermeld:
“(…) 2. Tijdens de controle verklaarde u dat u de siliconen steentjes van de ring heeft laten vervangen door nieuwe diamanten stenen. Klopt ja?
Antwoord: ja.
3. Tijdens de controle verklaarde u dat u de sierraden heeft laten repareren en schoonmaken? Klopt dat?
Antwoord: repareren en het schoonmaken zit erbij.
4. Waarom heeft u de goederen niet bij de douane aangegeven?
Antwoord: ik heb er geen weet van. Ik dacht ik ga in mijn moeders ring daarvan de steentjes laten vervangen en daarin nieuwe steentjes laten zetten want die ring had ik al heel lang liggen.
5. Wilt u nog iets toevoegen aan uw verklaring?
Antwoord: ik heb het garantiebewijs alleen maar mee genomen voor mijn verzekering (…)”.
3. Verweerder heeft vervolgens de utb uitgereikt.
4. In bezwaar heeft eiseres twee geldopnamebonnetjes overgelegd met dagtekening
13 juni 2023 respectievelijk 15 juni 2023 voor een bedrag van € 235 respectievelijk € 350. Ook heeft eiseres twee documenten overgelegd ‘Guarantee & Quality Certificate’ van [bedrijf] (certificaten). Op deze certificaten staat:
“(…) Date : 15.06.2023
Product Type : Trouwring
Product Code: : Special made
Material : 14ct Goud
Price : 1.300 €uro
Specialities :
14CT Goude Trouwring met 0,25ct Brilliant (…)”
“(…) Date : 15.06.2023
Product Type : Ringen
Product Code: : Special made
Material : 14ct Goud
Price : 1.600 €uro
Specialities :
14CT Ring met Brilliant 0,25ct (…)”.
5. Met de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de utb gehandhaafd.

Geschil en standpunten van partijen

6. In geschil is of terecht een utb is opgelegd. Daarbij ligt de vraag voor of de ringen kunnen worden aangemerkt als terugkerende goederen die vallen onder de vrijstelling van invoerrechten en omzetbelasting.
7. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte de utb heeft opgelegd. Eiseres heeft drie ringen door het groene kanaal meegenomen: een trouwring, een gouden ring met drie briljanten (moeders ring) en een gouden ring met één briljant (ring voor het zilveren huwelijk). Eiseres heeft de ringen gekocht of geërfd in Nederland, dus het zijn Uniegoederen. Ter onderbouwing overlegt eiseres voor de trouwring een betaalbon met dagtekening 16 april 1970 van een winkel in Rotterdam en voor moeders ring een pagina uit een testament. Omdat het gaat om Uniegoederen, stelt eiseres dat zij daarover geen invoerrechten en omzetbelasting verschuldigd is. De ringen bevinden zich ook in dezelfde staat bij terugkomst. In Turkije is de trouwring wegens een ongeval doorgeknipt en gerepareerd. Daarbij is geen goud toegevoegd. Bij de andere twee ringen heeft eiseres alleen de steentjes vervangen: drie zirkonia steentjes door drie briljanten (moeders ring) respectievelijk twee briljanten door 1 briljant (ring voor het zilveren huwelijk). Hiervoor heeft eiseres twee betalingen verricht voor een bedrag van € 235 respectievelijk € 350. De certificaten geven de dagwaarde van de ringen weer en dus niet de aankoopwaarde.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb.
8. Verweerder betwist dat de ringen Uniegoederen zijn. Als goederen uit derde landen, zoals Turkije, het douanegebied worden binnengebracht wordt ervan uitgegaan dat deze goederen niet-Uniegoederen zijn. Bij terugkeer naar Nederland moet eiseres aantonen dat de goederen in dezelfde staat terugkeren. Dat heeft zij niet gedaan. Door het plaatsen van die briljanten zijn namelijk nieuwe goederen ontstaan.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

9. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de ringen heeft binnengebracht vanuit Turkije in Nederland via de luchthaven Schiphol. Bij een reis naar een land buiten het douanegebied van de Unie (douanegebied) verliezen goederen met het verlaten van het douanegebied de douanestatus van Uniegoederen (artikel 154, aanhef en onder a, van het Douanewetboek van de Unie (DWU) [1] ). Vanaf dat moment hebben de goederen de status van niet-Uniegoederen. Dit betekent dat de ringen van eiseres de douanestatus van Uniegoederen hebben verloren met het vertrek naar Turkije. Voor niet-Uniegoederen moet in beginsel invoerrechten en omzetbelasting worden betaald (artikel 201, tweede lid, van het DWU).
10. Voor terugkerende goederen (goederen die oorspronkelijk Uniegoederen waren) geldt echter een vrijstelling van die invoerrechten en omzetbelasting (artikel 253, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/2447 (Uvo.DWU)) [2] . Als een reiziger bij terugkomst via een aangifte beroep wil doen op deze vrijstelling, doet hij dat met het passeren van de “groene doorgang”. Eiseres heeft dus een beroep op deze vrijstelling gedaan toen zij bij aankomst op Schiphol met de drie ringen door het groene kanaal “niets aan te geven” is gegaan.
11. Voor een beroep op deze vrijstelling voor terugkerende goederen gelden een aantal voorwaarden (artikel 203 van het DWU). Eén van die voorwaarden is dat goederen in dezelfde staat terugkeren waarin zij werden uitgevoerd (artikel 203, vijfde lid, van het DWU). Om dezelfde staat te behouden mogen goederen buiten het douanegebied slechts behandelingen ondergaan die hun presentatie wijzigen of die noodzakelijk waren om deze te herstellen, te reviseren of in goede staat te bewaren (artikel 158, eerste lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (Gvo.DWU) [3] ).
12. Eiseres heeft tijdens de zitting bevestigd dat zij in Turkije is gevallen. Daarom moest zij de trouwring laten doorknippen en zij heeft deze vervolgens ter plekke laten repareren. Verweerder heeft dit niet betwist. De rechtbank oordeelt dat de reparatie van de trouwring een toegestane behandeling is in de zin van artikel 158, eerste lid, van de Gvo.DWU die noodzakelijk was voor het herstel. Uit het dossier blijkt niet dat eiseres (ook) de steentjes heeft laten vervangen van de trouwring. Het proces-verbaal noemt slechts één ring, zonder te specificeren welke. Uit het proces-verbaal, in samenhang van volgende verklaringen van eiseres, volgt (enkel) dat siliconen (de rechtbank leest: zirkonia) steentjes van de moeders ring zijn vervangen voor briljanten. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van verweerder dat het proces-verbaal een kennelijke verschrijving bevat voor zover daarin niet staat vermeld dat óók de steentjes van de trouwring zijn vervangen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt en er dus van wordt uitgegaan dat het een juiste en volledige weergave is van wat eiseres heeft verklaard. Op grond van het proces-verbaal staat niet vast dat de trouwring behandelingen heeft ondergaan die niet zijn toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de trouwring, na noodzakelijk herstel na het doorknippen van de ring na het ongeval van eiseres in Turkije, in dezelfde staat teruggekeerd. Verweerder heeft voor de trouwring daarom ten onrechte geen vrijstelling van invoerrechten en omzetbelasting verleend. Het beroep slaagt in zoverre.
13. Eiseres heeft tijdens de zitting bevestigd dat zij de steentjes van de moeders ring en de ring voor het zilveren huwelijk heeft laten vervangen. Het vervangen van steentjes gaat verder dan noodzakelijk voor herstel, revisie of behoud in goede staat. Dat is dus geen toegestane behandeling. Hierdoor zijn de moeders ring en ring voor het zilveren huwelijk niet in dezelfde staat teruggekeerd. Voor deze twee ringen moet eiseres dus, ondanks dat deze voor haar vooral emotionele waarde hebben, wel invoerrechten en omzetbelasting betalen.
14. Voor het vaststellen van de hoogte van de invoerrechten en omzetbelasting van de moeders ring en de ring voor het zilveren huwelijk, moet verweerder de douanewaarde bepalen. Tijdens de zitting heeft verweerder erkend dat hij ten onrechte daarvoor de transactiewaarde heeft gebruikt (artikel 70, eerste lid, van het DWU), omdat eiseres de ringen niet in Turkije heeft gekocht en de certificaten dus geen weergave zijn van de aankoopprijs. In plaats daarvan moet de douanewaarde worden vastgesteld aan de hand van de methode van de redelijke middelen (artikel 74, derde lid, van het DWU). Daarbij moet volgens verweerder worden uitgegaan van de dagwaarde van € 1.600 zoals vermeld in de certificaten. Eiseres heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij deze certificaten gebruikt in het kader van haar inboedelverzekering om de (huidige) waarde van de ringen aan te tonen. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de dagwaarde dus een reëel beeld van de waarde van de ringen. Verweerder heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de douanewaarde en het bedrag van de utb, voor zover het ziet op de moeders ring en ring voor het zilveren huwelijk, niet te hoog heeft vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep dient gegrond te worden verklaard. Omdat verweerder ten onrechte voor de trouwring invoerrechten en omzetbelasting heeft geheven, zal de utb moeten worden verminderd van € 696,73 naar € 384,40 (bestaande uit een verlaging van een bedrag van
€ 32,50 aan douanerechten (€ 1.300 x 0,025) en € 279,83 aan omzetbelasting (€ 1.300 +
€ 32,50 = € 1.332,50 x 0,21). Verweerder heeft daarnaast ten onrechte de transactiewaarde toegepast om de douanewaarde vast te stellen. In plaats daarvan had verweerder de methode van redelijke middelen moeten toepassen. Daarbij mocht verweerder (wel) uitgaan van de dagwaarde. Hierdoor verandert de douanewaarde van de moeders ring en de ring voor het zilveren huwelijk niet. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar op dat punt in stand laten.
16. Tijdens de zitting heeft eiseres opgemerkt dat deze zaak al meerdere jaren duurt en dat zij daar veel stress van ervaart. De rechtbank vat deze verklaring van eiseres op als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 22 juni 2023 en deze uitspraak van de rechtbank is van 25 september 2025. Dat betekent dat de redelijke termijn in beginsel is overschreden met circa 3 maanden en aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend van € 500.
17. De termijnoverschrijding is geheel aan de bezwaarfase toe te rekenen. Verweerder dient daarom € 500 aan eiseres te betalen.
18. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- laat de rechtsgevolgen in stand van het gedeelte van de uitspraak op bezwaar dat ziet op de moeders ring en ring voor het zilveren huwelijk;
- vermindert de utb tot € 384,40;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de immateriële schade vastgesteld op € 500;
- draagt verweerder op het eiseres betaalde griffierecht van € 187 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door P.E.A. Chao, voorzitter, in aanwezigheid van
mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 september 2025.
griffier voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (herschikking).
2.Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie.
3.Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie.