Verzoeker heeft bij de rechtbank Noord-Holland een verzoek ingediend tot opheffing van het in 2018 ingestelde bewind over zijn goederen. Hij stelt dat zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid voldoende is verbeterd om zelfstandig zijn financiën te beheren en dat hij het bewind niet langer noodzakelijk acht. Verzoeker ervaart frustratie door het gebrek aan eigen regie en wil zijn zaken zelf behartigen, mede om kosten voor bewindvoering te besparen.
De bewindvoerder is het niet eens met het verzoek en stelt dat de noodzaak voor het bewind nog steeds bestaat, onder meer omdat verzoeker zware pijnmedicatie gebruikt en onduidelijk is hoe hij zijn geld besteedt. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat verzoeker niet bereid is samen te werken met de bewindvoerder, wat de voortzetting van het bewind bemoeilijkt.
De kantonrechter oordeelt dat ondanks twijfel over de noodzaak van het bewind, de weigering van verzoeker om samen te werken doorslaggevend is. Daarom wordt het bewind opgeheven met ingang van twee weken na de uitspraak. Tevens wordt de beloning van de bewindvoerder vastgesteld voor het opmaken van de eindrekening.