ECLI:NL:RBNHO:2025:11267

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
1 oktober 2025
Zaaknummer
10341049 \ CV EXPL 23-993
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling ticketprijzen geannuleerde vluchten op basis van Verordening (EG) nr. 261/2004 en Burgerlijk Wetboek

In deze zaak heeft ARAG SE, vertegenwoordigd door mr. R. Schreuders, namens een aantal passagiers terugbetaling van de vervoerder, Turk Havayollari A.O. (Turkish Airlines), gevorderd voor de ticketprijzen van geannuleerde vluchten van en naar Indonesië. De vordering is gebaseerd op de Verordening (EG) nr. 261/2004 en het Burgerlijk Wetboek. De vervoerder betwistte de verplichting tot terugbetaling, omdat hij al aan D-Reizen had terugbetaald. De kantonrechter oordeelde echter dat de Verordening niet van toepassing was op de terugvlucht, maar wel op de heenvlucht. De vervoerder was niet bevoegd om aan D-Reizen te betalen, omdat er geen uitdrukkelijke machtiging van de passagiers aan D-Reizen was om de terugbetaling te ontvangen. De kantonrechter heeft de vervoersovereenkomst ontbonden en de vordering van ARAG grotendeels toegewezen, inclusief de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De vervoerder werd veroordeeld tot betaling van € 4.770,38 aan ARAG, vermeerderd met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10341049 \ CV EXPL 23-993
Uitspraakdatum: 1 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de Europese vennootschap
ARAG SE
gevestigd te Düsseldorf, Duitsland
eiseres
hierna te noemen: ARAG
gemachtigde: mr R. Schreuders
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Turk Havayollari A.O., handelend onder de naam
Turkish Airlines
gevestigd te Ankara, Turkije
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. H. Bulut-Yazir
De zaak in het kort
ARAG heeft namens een aantal passagiers terugbetaling van de vervoerder gevorderd van de ticketprijzen van een aantal geannuleerde vluchten van en naar Indonesië, op grond van de Verordening (EG) nr. 261/2004 dan wel het Burgerlijk Wetboek. De Verordening is echter niet van toepassing op de terugvlucht van de passagiers. De vervoerder stelt dat hij niet gehouden is om terug te betalen omdat hij al heeft terugbetaald aan D-Reizen. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. Het subsidiaire beroep van ARAG op de ontbinding van de vervoersovereenkomst slaagt wel. Daarom wordt de vervoersovereenkomst ontbonden en de vordering van ARAG grotendeels toegewezen.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 juni 2023 waarin de bij dagvaarding ingeleide procedure is gesplitst in 22 afzonderlijke zaken, waarvan de procedure in kwestie er een is;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- de akte eiseres, tevens wijziging van eis;
- de akte gedaagde.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) heeft via D-Reizen een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem en een andere passagier (hierna gezamenlijk: de passagiers) op 12 en 13 augustus 2020 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Istanbul, Turkije, naar Denpasar, Indonesië (hierna gezamenlijk: de heenvlucht).
2.2.
Op grond van de vervoersovereenkomst moest de vervoerder de passagiers daarnaast op 27 en 28 augustus 2020 vervoeren van Denpasar, Indonesië, via Istanbul, Turkije, naar Amsterdam-Schiphol Airport (hierna: gezamenlijk: de terugvlucht).
2.3.
De vervoerder heeft zowel de heen- als de terugvlucht geannuleerd.
2.4.
De vervoerder heeft de ticketprijzen terugbetaald aan Airtrade. Airtrade heeft de ticketprijzen terugbetaald aan D-Reizen. De passagiers hebben geen terugbetaling van D-Reizen ontvangen.
2.5.
D-Reizen is op 6 april 2021 failliet verklaard.
2.6.
ARAG heeft daarom namens de passagiers terugbetaling van de ticketprijzen van de vervoerder gevorderd.
2.7.
De vervoerder heeft niet uitbetaald aan ARAG.

3.Het geschil

3.1.
ARAG vordert ontbinding van de vervoersovereenkomst.
3.2.
Daarnaast vordert ARAG dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 4.120,54, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 649,84 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.3.
ARAG baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) dan wel de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW). ARAG stelt dat zij last en opdracht van de passagiers heeft gekregen om in eigen naam deze procedure tegen de vervoerder te starten. De kantonrechter begrijpt dat zij primair stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de heen- en de terugvlucht de kosten van de vliegtickets moet terugbetalen. [1] Subsidiair stelt zij dat er een vervoersovereenkomst tot stand is gekomen tussen de passagiers en de vervoerder. Zij vordert ontbinding van deze vervoersovereenkomst en terugbetaling van de ticketprijzen als ongedaanmaking daarvan. [2]
3.4.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
ARAG is ontvankelijk in haar vordering
4.2.
De vervoerder betwist dat de passagiers last en opdracht aan ARAG hebben gegeven om de vordering in te stellen. Hij voert aan dat de door ARAG overgelegde lastgevingsovereenkomst pas op 29 november 2022 door de passagiers is ondertekend, terwijl de dagvaarding al op 31 maart 2022 aan hem is betekend. ARAG heeft daar tegenin gebracht dat de passagiers haar al op 29 maart 2022 de last en opdracht hebben gegeven om de procedure te starten. De vervoerder voert aan dat deze e-mail alleen afkomstig is van [betrokkene] en niet van de andere passagier. Weliswaar is zij in ‘cc’ meegenomen in de
e-mailcorrespondentie maar zij heeft toen geen zelfstandige opdracht gegeven, aldus de vervoerder.
4.3.
De kantonrechter oordeelt echter dat ARAG met de door haar overgelegde stukken en haar toelichting daarop voldoende heeft onderbouwd dat zij de vordering op last en in opdracht van de passagiers heeft ingesteld. Het betoog van de vervoerder slaagt daarom niet.
Toepasselijkheid van de Verordening
4.4.
De kantonrechter moet ambtshalve onderzoeken of de Verordening op de onder 2.1. en 2.2. genoemde vluchten van toepassing is. Het Hof heeft geoordeeld dat heen- en terugvluchten los van elkaar moeten worden gezien, ook als deze deel uitmaken van één boeking. [3] Dit betekent dat voor de heen- en de terugvlucht afzonderlijk moet worden beoordeeld of de Verordening daarop van toepassing is.
4.5.
De Verordening is van toepassing op vluchten die vertrekken vanaf een luchthaven gelegen in een lidstaat. [4] Dit geldt voor de heenvlucht. De Verordening is echter alleen van toepassing op vluchten die vertrekken vanaf een luchthaven gelegen buiten de Europese Unie naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat, als de vervoerder een zogenaamde ‘communautaire luchtvaartmaatschappij is’. [5] Weliswaar vertrok de terugvlucht vanaf een luchthaven buiten de Europese Unie (Denpasar, Indonesië) en ging deze naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat (Amsterdam-Schiphol Airport), maar de vervoerder is gevestigd in Turkije, en dus niet in een EU-lidstaat. De vervoerder kan daarom niet over de vereiste exploitatievergunning beschikken en is daarmee geen communautaire vervoerder. [6]
4.6.
De conclusie is daarom dat de Verordening niet van toepassing op de terugvlucht. Met betrekking tot de heenvlucht overweegt de kantonrechter als volgt.
De vervoerder is verplicht tot terugbetaling van de ticketprijs van de heenvlucht op grond van de Verordening
4.7.
De vervoerder voert aan dat hij al aan zijn verplichtingen uit de Verordening heeft voldaan door de prijs van de vliegtickets aan D-Reizen terug te betalen. Deze betaling moet als bevrijdend worden gezien. Hiervoor is bepalend dat de passagiers in eerste instantie
D-Reizen hebben ingeschakeld om de terugbetaling van de ticketprijs voor hen te bewerkstelligen. ARAG heeft dit gemotiveerd weersproken.
4.8.
De kantonrechter overweegt dat de vordering primair is gebaseerd op de Verordening. Deze maakt deel uit van het recht van de Europese Unie (het Unierecht). Het Unierecht heeft in beginsel voorrang op het nationaal recht en kan rechtstreekse werking bezitten. Bij de uitleg van een bepaling van het Unierecht moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen daarvan, maar ook met de context en de doelstelling van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt. De Verordening is bindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk. Als een rechtstreeks werkende regel van het Unierecht onverenigbaar is met een regel van nationaal recht, moet deze laatste regel op grond van het Unierecht terzijde worden geschoven.
4.9.
Op grond van artikel 5 van de Verordening moet de luchtvaartmaatschappij bij annulering de passagier bijstand bieden, zoals bedoeld in artikel 8 van de Verordening. In dat laatste artikel wordt aan de passagier de keuze voor volledige terugbetaling van de ticketprijs geboden. Volgens de considerans bij de Verordening wordt met de Verordening een hoog niveau aan bescherming van passagiers beoogd. Om een effectieve toepassing van de Verordening te waarborgen, rusten alle verplichtingen uit de Verordening op de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert (of laat uitvoeren). Ook in de jurisprudentie van het Hof staat een hoog niveau van bescherming van passagiers voorop. Daaruit volgt ook dat alle verplichtingen uit de Verordening op de luchtvaartmaatschappij rusten. [7]
4.10.
Gelet op het voorgaande moeten de artikelen 5 en 8 zo worden begrepen dat de verplichting om de ticketprijs bij annulering terug te betalen, rust op de luchtvaartmaatschappij. Het is daarmee ook de verantwoordelijkheid van de luchtvaartmaatschappij om te bewerkstelligen dat de terugbetaling bij de passagier terecht komt. De vervoerder moet op grond van artikel 5 van de Verordening immers bijstand bieden aan de passagier (en niet aan enig ander). Dat betekent dat wanneer een passagier op grond van artikel 8 van de Verordening kiest voor terugbetaling van de ticketprijs, die terugbetaling moet gebeuren aan de passagier in kwestie. Dat dit anders zou (kunnen) zijn als een passagier zijn ticket heeft geboekt via een reisbureau zoals D-Reizen, volgt niet uit de Verordening of de jurisprudentie daarover. Evenmin volgt daaruit dat de omstandigheid dat D-Reizen bij het boeken van de reis handelt in opdracht van de passagiers, tot een ander oordeel zou leiden.
4.11.
Uit het voorgaande volgt dat ARAG (namens de passagiers) op grond van de Verordening van de vervoerder kan verlangen dat deze aan haar de ticketprijs terugbetaalt, ook terwijl de passagiers de tickets via D-Reizen hebben geboekt. Daaruit volgt ook dat de vervoerder niet aan zijn verplichtingen tegenover ARAG dan wel de passagiers heeft voldaan in de situatie waarin hij via Airtrade de ticketprijs heeft terugbetaald aan D-Reizen en
D-Reizen deze vervolgens niet heeft doorbetaald aan de passagiers. Anders dan de vervoerder betoogt, komt hiermee niet zozeer het risico van het faillissement van D-Reizen voor zijn rekening, maar het risico van zijn keuze om altijd terug te betalen aan het reisbureau.
De vervoerder heeft niet bevrijdend betaald
4.12.
De vervoerder heeft daarnaast aangevoerd dat hij al bevrijdend heeft betaald omdat D-Reizen de passagier heeft vertegenwoordigd. De kantonrechter overweegt dat een luchtvaartmaatschappij slechts bevrijdend kan betalen aan een derde, zoals een reisbureau, als de passagier deze heeft aangewezen als vertegenwoordiger en sprake is van een uitdrukkelijke machtiging aan deze derde om de terugbetaling namens de passagier te innen. Daarbij moet het voor de luchtvaartmaatschappij ook kenbaar zijn dat de passagier deze derde heeft gemachtigd om de terugbetaling namens hem te innen. [8] Vast staat dat de passagiers D-Reizen hebben ingeschakeld als vertegenwoordiger om de vluchten voor hen te boeken. Daaruit kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat de passagiers D-Reizen ook hebben gemachtigd om op te treden als vertegenwoordiger voor de terugbetaling van de ticketprijzen bij annulering. Daarvoor zullen aanvullende feiten en omstandigheden vast moeten komen te staan.
4.13.
Vast staat dat de vervoerder, zoals gebruikelijk, zonder eerst bij de passagiers te informeren, Airtrade heeft terugbetaald via zijn eigen interne systeem. De vervoerder kan dus niet van de passagiers zelf hebben vernomen dat zij D-Reizen als vertegenwoordiger hebben aangewezen. Uit de omstandigheid dat de passagiers D-Reizen hebben ingeschakeld om de vluchten voor hen te boeken kan, zoals hiervoor overwogen, niet worden afgeleid dat de passagiers D-Reizen ook hebben gemachtigd om de terugbetaling bij annulering te verzorgen. Daaruit kan hooguit een impliciete machtiging worden afgeleid. Dat is onvoldoende. Er moet immers sprake zijn van een uitdrukkelijke machtiging van D-Reizen door de passagiers die voor de vervoerder kenbaar was. Die ontbreekt in dit geval.
4.14.
Voor zover de vervoerder heeft aangevoerd dat hij uit de omstandigheid dat de passagiers de reis via D-Reizen hebben geboekt en ook via D-Reizen om terugbetaling van de ticketprijzen hebben verzocht, mocht af leiden dat hij bevrijdend aan D-Reizen kon betalen, [9] slaagt dit betoog evenmin. De vervoerder kan alleen bevrijdend betalen aan een onbevoegde ontvanger als hij meende dat hij betaalde aan de schuldeiser, dan wel aan iemand aan wie móest worden betaald. Onvoldoende daarvoor is dat de vervoerder meende dat hij aan D-Reizen mocht betalen, bijvoorbeeld omdat hij dacht dat D-Reizen vertegenwoordigingsbevoegd was. Voor de veronderstelling dat hij aan D-Reizen moest betalen, moet de vervoerder bovendien redelijke gronden hebben gehad. Aan deze vereisten is niet voldaan omdat de vervoerder niet heeft toegelicht dat en waarom hij meende aan
D-Reizen te moeten betalen, anders dan dat de terugbetaling altijd plaatsvindt via het centraal betalingssysteem en hij uit de inschakeling van D-Reizen door de passagiers meende dat D-Reizen vertegenwoordigingsbevoegd was. Dat is niet voldoende, nog daargelaten dat de vervoerder, gelet op de Verordening, niet kon menen dat hij aan D-Reizen móest betalen.
4.15.
Dit betekent dat de vervoerder op grond van de Verordening gehouden is om de kosten van de heenreis aan ARAG te betalen.
Het beroep van ARAG op ontbinding van de vervoersovereenkomst slaagt
4.16.
De kantonrechter begrijpt dat ARAG subsidiair stelt dat de vervoerder door de annulering tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de vervoersovereenkomst tussen de passagiers en de vervoerder. Dit rechtvaardigt de ontbinding van de vervoersovereenkomst. Als ongedaanmaking van de door de passagiers verrichte prestatie moet de vervoerder de ticketprijzen van de vluchten terugbetalen, aldus ARAG. De kantonrechter begrijpt dat de vervoerder daar tegenin brengt dat hij geen contractuele relatie heeft met D-Reizen. D-Reizen bemiddelt bij het tot stand komen van een overeenkomst van dienstverlening door Airtrade. Op grond van deze overeenkomst moet Airtrade zorgen voor de reisdienst. De passagiers hadden er ook voor kunnen kiezen om rechtstreeks te boeken bij Airtrade of bij de vervoerder. ARAG erkent dat D-Reizen heeft opgetreden als bemiddelaar. Zij stelt echter dat ook Airtrade heeft opgetreden als bemiddelaar, hetgeen blijkt uit de algemene voorwaarden van Airtrade. Zodoende is er door bemiddeling van D-Reizen en Airtrade een vervoersovereenkomst tussen de passagiers en de vervoerder tot stand gekomen, aldus ARAG.
4.17.
De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat een vervoersovereenkomst tot stand is gekomen tussen hem en de passagiers. Hij heeft daarnaast in het geheel niet betwist dat de annulering van de vluchten gezien als een tekortkoming in de nakoming van deze overeenkomst. Daarom kan ARAG een geslaagd beroep doen op de ontbinding van de overeenkomst. De conclusie is dat de gevorderde terugbetaling van de ticketkosten kan worden toegewezen.
Ook de nevenvorderingen zijn (grotendeels) toewijsbaar
4.18.
De vordering tot vergoeding van wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst.
4.19.
Op grond van artikel 8 van de Verordening krijgen passagiers bij annulering van een vlucht de keuze tussen terugbetaling van de vliegtickets indien verder reizen in het licht van het oorspronkelijke reisplan geen zin meer heeft of een nieuwe vlucht. Uit het artikel volgt niet op welk moment de termijn van zeven dagen begint te lopen. In het geval van annulering op initiatief van de luchtvaartmaatschappij zal dit vaak dezelfde dag zijn (de dag van de vlucht). Omdat de passagiers een keuze krijgen, zal de termijn echter niet eerder kunnen aanvangen dan vanaf de dag waarop de passagiers hun keuze kenbaar hebben gemaakt bij de vervoerder. ARAG heeft niet gesteld op welk moment de passagiers dan wel ARAG voor het eerst expliciet hebben verzocht om restitutie van de vliegtickets.
4.20.
Uit de door ARAG verzonden sommatie van 4 mei 2021 blijkt dat ARAG op dat moment om terugbetaling heeft verzocht. Daarom was het naar het oordeel van de kantonrechter in ieder geval vanaf dat moment duidelijk dat de passagiers terugbetaling van de ticketprijzen wensten. De wettelijke rente over de hoofdsom zal daarom worden toegewezen vanaf 2 juni 2021. Dat is de dag nadat de termijn van vier weken in de sommatie van ARAG was verstreken.
4.21.
ARAG heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De vervoerder heeft niet betwist dat ARAG buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is evenmin betwist en toewijsbaar.
4.22.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Daarbij zullen de kosten van de dagvaarding echter niet worden toegewezen omdat deze al in een eerdere procedure zijn toegewezen en deze procedure, vanwege de splitsing, met dezelfde dagvaarding aanhangig is gemaakt als die eerdere procedure. [10] Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door ARAG worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande vervoersovereenkomst;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan ARAG van € 4.770,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.120,54 vanaf 2 juni 2021, en over € 649,84 vanaf heden, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van ARAG tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
griffierecht € 128,00;
salaris gemachtigde € 542,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.4.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 135,00 aan nakosten, voor zover ARAG daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Op grond van artikel 5 lid 1 en artikel 8 van de Verordening.
2.Artikel 6:265 en 6:271 BW.
3.HvJEU 10 juli 2008, C-173/07, ECLI:EU:C:2008:400.
4.Artikel 3 lid 1 onder a van de Verordening.
5.Artikel 3 lid 1 onder b van de Verordening.
6.Zie Verordening (EEG) nr. 2407/92.
7.Zie HvJEU 10 juli 2019, C 163/18, ECLI:EU:C:2019:585 en HvJEU 11 mei 2017, C 302/16, ECLI:EU:C:2017:359.
8.Zie HvJEU 11 mei 2017, C 302/16, ECLI:EU:C:2017:359 en Hof Den Haag 19 december 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2464.
9.Op grond van artikel 6:34 BW.
10.Rb. Noord-Holland 9 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:7814.