De passagiers hadden een vervoersovereenkomst gesloten voor een vlucht van Amsterdam-Schiphol naar Praag op 13 oktober 2023, die door de vervoerder werd geannuleerd. Zij vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder stelde dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk de vertraging van een eerdere vlucht door een staking bij de Franse luchtverkeersleiding, waardoor het nachtregime van Schiphol zou worden geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de vervoerder onvoldoende had onderbouwd in hoeverre de vertraging doorwerkte op de vlucht in kwestie en waarom annulering noodzakelijk was. Ook werd onvoldoende toegelicht wat het nachtregime van Schiphol inhoudt en waarom het onmogelijk was om na het ingaan daarvan te landen. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat sprake was van buitengewone omstandigheden.
De rechtbank wees het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af, omdat deze kosten niet verder reikten dan gebruikelijke aanmaningen en dossieropbouw. De proceskosten werden aan de vervoerder opgelegd. Het verzoek van de passagiers tot compensatie van € 1.250, vermeerderd met wettelijke rente, werd toegewezen. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.