De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om opheffing van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, omdat de maatregel geen verbetering had gebracht en medewerking van de ouders ontbrak. De GI stelde dat interventies niet langer effectief waren en dat alternatieve vormen van toezicht aanwezig waren.
De Raad voor de Kinderbescherming was het hier niet mee eens en benadrukte dat de situatie nog te kwetsbaar was en dat niet alle middelen waren ingezet. Het gezin was dakloos, de verblijfplaats van de kinderen was onduidelijk, en er liepen strafrechtelijke onderzoeken.
De kinderrechter concludeerde dat de ontwikkelingsbedreigingen nog steeds bestonden, het contact met het gezin verbroken was, en dat het belangrijk was dat de GI een laatste poging deed om contact te leggen. De ondertoezichtstelling werd daarom gehandhaafd tot 15 oktober 2025.
De beslissing werd genomen in het belang van de minderjarigen, met het oog op hun veiligheid en ontwikkeling, ondanks de moeilijke gezinssituatie en het ontbreken van medewerking van de ouders.