De rechtbank Noord-Holland heeft op 24 januari 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van medeplegen van het opzettelijk binnenbrengen van 611 gram cocaïne op Schiphol op 24 december 2023. De verdachte werd aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen, welke later geschorst werd. Procesafspraken tussen de officier van justitie en de verdediging leidden tot een raamovereenkomst waarin de verdachte afzag van bewijsverweren en getuigenverhoor.
De rechtbank heeft de procesafspraken getoetst en geconstateerd dat deze vrijwillig en met voldoende informatie tot stand zijn gekomen. Vanwege bijzondere omstandigheden, zoals de uitzetting van een medeverdachte getuige naar Suriname en de onmogelijkheid om deze te horen, achtte de rechtbank de afdoening via procesafspraken passend.
Op basis van de bewijsmiddelen achtte de rechtbank bewezen dat de verdachte medepleegde aan de invoer van cocaïne. De strafmotivering hield rekening met de ernst van het feit, de schadelijke gevolgen van harddrugs, de persoon van de verdachte die niet eerder voor een Opiumwetdelict was veroordeeld, en zijn intenties om zijn leven positief te veranderen.
De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 130 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest. Tevens werd het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven. Deze straf is in overeenstemming met de landelijke oriëntatiepunten voor de invoer van deze hoeveelheid harddrugs.