Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
- het stoppen van zijn, verdachtes, hand in de (onder)broek van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
- (daarbij) de vagina en/of de schaamstreek en/of de lies van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te betasten en/of te strelen en/of
- het wrijven over en/of betasten van de borsten van die [slachtoffer 3] en/of
- het strelen over de billen van die [slachtoffer 3].
2.Voorvragen
NJ2010/583). Voor de onderhavige zaak betekent dat, dat de wetswijziging van 1 juli 2024 en de daarmee samenhangende verruiming van de verjaringstermijn niet van toepassing is op de ten laste gelegde gedragingen met betrekking tot [slachtoffer 3], omdat de verjaringstermijn met betrekking tot die gedragingen zoals gezegd op 1 juli 2024 al was geëindigd. Dit betekent dat de officier van justitie in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde gedragingen is de officier van justitie wel ontvankelijk.
3.Beoordeling van het bewijs
- daarbij de vagina en/of de schaamstreek en/of de lies van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te betasten en/of te strelen.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
twaalf (12) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot
zes (6) maanden,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op
twee (2) jarenbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
€ 5.000,-, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
€ 5.000,-, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.