De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot machtiging van uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar grootouders aan vaderszijde. De minderjarige woont sinds oktober 2024 vrijwillig bij de grootouders vanwege onveilige thuissituatie veroorzaakt door middelengebruik van beide ouders en partnergeweld.
Na een incident op 17 september 2025 waarbij de vader de grootmoeder met een mes bedreigde en de minderjarige meenam, heeft de kinderrechter op 22 september 2025 een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar de vader is onvoorspelbaar en de situatie blijft onveilig.
De moeder stemt in met de plaatsing en betreurt het gebrek aan omgang sinds het incident. De grootouders en hun dochter bevestigen de noodzaak van veiligheidsafspraken. De kinderrechter acht een vrijwillige plaatsing onvoldoende en formaliseert de uithuisplaatsing tot 22 december 2025, met het oog op het belang van de minderjarige en haar hechtingsproces. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk.