ECLI:NL:RBNHO:2025:11733

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
11637129
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:438 BWArt. 1:440 BWArt. 3:1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewindvoerder vordert betaling achterstallig loon en wijst verrekening werkgever af

Een bewindvoerder eist namens een onderbewindgestelde betaling van achterstallig loon, vakantietoeslag en niet genoten vakantiedagen van diens voormalige werkgever. De werkgever voerde verweer dat hij het loon mocht verrekenen met een eerder betaald voorschot op het loon. De kantonrechter oordeelt dat vanwege het beschermingsbewind de werkgever niet zonder medewerking van de bewindvoerder een schuld kon aangaan en het voorschot daarom niet met het loon kon worden verrekend.

De kantonrechter wijst de vordering van de bewindvoerder toe voor een bedrag van € 5.545,67 netto achterstallig loon, € 790,35 bruto vakantietoeslag, € 1.152,95 bruto niet genoten vakantiedagen, wettelijke rente en een wettelijke verhoging tot 20%. Tevens wordt een bedrag van € 700,87 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De tegenvordering van de werkgever wordt afgewezen.

Daarnaast wordt de werkgever veroordeeld tot het verstrekken van een deugdelijke bruto-netto specificatie van de loonbetalingen en tot betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door de kantonrechter op 22 oktober 2025.

Uitkomst: De werkgever moet het onterecht ingehouden loon en bijkomende vergoedingen aan de bewindvoerder betalen en de tegenvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11637129 \ CV EXPL 25-1288 (PA)
Vonnis van 22 oktober 2025
in de zaak van
BUDGET SOLUTIONS B.V., IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE (TOEKOMSTIGE) GOEDEREN VAN [onderbewindgestelde],
te Rotterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de bewindvoerder q.q.,
gemachtigde: mr. E. Kattestaart
[toevoeging met nummer: 3MN0256],
tegen
[gedaagde],
te Alkmaar,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Een bewindvoerder eist onder andere betaling van achterstallig loon van een voormalig werkgever van een klant. De werkgever is het niet eens met deze eis en stelt dat hij het loon mocht verrekenen met een door hem betaald voorschot op het loon. De kantonrechter is van oordeel dat het door de werkgever verrekende bedrag aan de bewindvoerder moet worden terugbetaald. De werkgever kan het bedrag niet verrekenen omdat sprake is van beschermingsbewind en hij de medewerking van de bewindvoerder nodig had bij het aangaan van de schuld van de klant. De kantonrechter neemt ook een paar beslissingen over de eindafrekening van het dienstverband en wijst de tegenvordering van de werkgever af.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 maart 2025
- de mondelinge conclusie van antwoord met bijlagen
- het tussenvonnis van 23 april 2025
- de mondelinge behandeling van 2 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 18 oktober 2021 zijn de (toekomstige) goederen van [onderbewindgestelde] (hierna: [onderbewindgestelde] ) onder bewind gesteld wegens verkwisting of problematische schulden en is de bewindvoerder q.q. benoemd tot bewindvoerder. Het bewind van [onderbewindgestelde] is gepubliceerd in het Centraal curatele- en bewindregister.
2.2.
Tussen [gedaagde] , als werkgever, en [onderbewindgestelde] , als werknemer, heeft tussen 1 mei 2024 tot 8 augustus 2024 een arbeidsovereenkomst bestaan.
2.3.
[gedaagde] heeft in de periode van 26 oktober 2023 tot en met 21 juni 2024 in totaal een bedrag van € 27.700,00 overgemaakt naar verschillende bankrekeningen met verschillende tenaamstellingen met de vermelding “Voorschot op toekomstig salaris [onderbewindgestelde] ”. Bij de eindafrekening heeft [gedaagde] een deel van deze betalingen met het loon van [onderbewindgestelde] verrekend.

3.Het geschil

in conventie en in reconventie
3.1.
De bewindvoerder q.q. vordert - samengevat - een bedrag van € 5.545,67 netto aan achterstallig loon, een bedrag van € 790,35 bruto aan vakantietoeslag, een bedrag van
€ 1.152,95 bruto aan opgebouwde en niet genoten vakantiedagen, de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en een bedrag van € 700,87 aan buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast vordert de bewindvoerder q.q. een verklaring voor recht dat de tussen partijen gesloten leningsovereenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en, na wijziging van eis, overlegging van een deugdelijke specificatie als er een nabetaling volgt. De bewindvoerder q.q. vordert ook dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld. De bewindvoerder q.q. wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] vindt dat de vordering van de bewindvoerder q.q. moet worden afgewezen.
3.3.
[gedaagde] vordert in reconventie – samengevat – betaling van een bedrag van
€ 21.973,36.
3.4.
De bewindvoerder q.q. voert daartegen verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Tussen [gedaagde] en [onderbewindgestelde] heeft een arbeidsovereenkomst bestaan. De bewindvoerder q.q. eist betaling van achterstallig loon, omdat [gedaagde] volgens hem ten onrechte een bedrag met het loon van [onderbewindgestelde] heeft verrekend. Volgens de bewindvoerder q.q. heeft [gedaagde] een leningsovereenkomst met [onderbewindgestelde] gesloten gebaseerd op een zogenaamd voorschot op toekomstig salaris, is die overeenkomst nietig omdat de medewerking van de bewindvoerder q.q. ontbreekt en kan het voorschot daarom niet met het loon worden verrekend. [gedaagde] is het niet eens met deze eis en stelt dat hij het loon mocht verrekenen met het door hem aan [onderbewindgestelde] betaalde voorschot op het loon. En hij vordert het restant van het voorgeschoten bedrag van de bewindvoerder q.q. De kantonrechter moet dus beoordelen of [gedaagde] terecht tot verrekening is overgegaan en aanspraak heeft op terugbetaling van het verder voorgeschoten bedrag. De kantonrechter oordeelt dat dit niet zo is en overweegt daartoe als volgt.
[gedaagde] kan de schuld van [onderbewindgestelde] niet verhalen op de bewindvoerder q.q.
4.2.
Ten tijde van de verrekening door [gedaagde] stonden de goederen die (zullen) toebehoren aan [onderbewindgestelde] onder bewind. Dit bewind brengt met zich dat [onderbewindgestelde] tijdens het beschermingsbewind alleen met medewerking van de bewindvoerder q.q. of met machtiging van de kantonrechter over de onder bewind staande goederen kan beschikken. [1] Schulden die voortkomen uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de rechthebbende, zonder medewerking van de bewindvoerder q.q. of machtiging van de kantonrechter, verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen, kunnen niet op de onder het bewind staande goederen worden verhaald. [2]
4.3.
Een arbeidsovereenkomst is geen ‘goed’ [3] en valt dus niet onder het bewind. Dat neemt niet weg dat uit de arbeidsovereenkomst wel rechten en verplichtingen voortvloeien die moeten worden aangemerkt als een vermogensrecht en dus ‘een goed’. Bijvoorbeeld het recht op loon. Ook een geldlening is een vermogensrecht / goed. Dat betekent dat [onderbewindgestelde] voor het aangaan van de schuld bij [gedaagde] (namelijk een voorschot op zijn loon al dan niet op basis van een geldlening) de medewerking van de bewindvoerder q.q. of machtiging van de kantonrechter nodig had. Het staat vast dat hiervoor niet vooraf medewerking is verleend door de bewindvoerder of vervangende machtiging is verkregen via de kantonrechter.
4.4.
Gelet op de publicatie van het bewind in het Centraal curatele- en bewindregister, was [gedaagde] op de hoogte van het bewind of had hij dat behoren te kennen. [gedaagde] kan de schuld van [onderbewindgestelde] daarom niet op de onder het bewind staande goederen verhalen. Hij kan het betaalde voorschot dus niet met het loon verrekenen en heeft geen aanspraak op terugbetaling van het verder betaalde bedrag. Zijn verweer dat de bewindvoerder q.q. niet meer heeft gereageerd en daarmee stilzwijgend met de verrekening heeft ingestemd, faalt dan ook.
in conventie
4.5.
Het voorgaande betekent dat de door [gedaagde] gedane verrekeningen dan wel inhoudingen op het loon van [onderbewindgestelde] ten onrechte zijn gedaan. [gedaagde] moet de ingehouden bedragen aan de bewindvoerder q.q. betalen.
[gedaagde] moet € 5.545,67 met de wettelijke rente en verhoging betalen
4.6.
Partijen verschillen van mening welk bedrag in totaal door [gedaagde] is verrekend met het loon van [onderbewindgestelde] .
4.7.
Voor het eerst op de zitting stelt [gedaagde] onder verwijzing naar de loonstroken dat hij het loon vanaf 11 juli 2024 niet meer heeft betaald, omdat [onderbewindgestelde] zonder afbericht niet op het werk is verschenen. Het staat vast dat deze loonstop niet van tevoren is aangekondigd en [onderbewindgestelde] daarvoor dus niet was gewaarschuwd. Dit betekent dat [gedaagde] geen beroep kan doen op de reden voor de loonstop. [gedaagde] mocht de loonstop niet toepassen. Uit de wet volgt namelijk dat een werkgever aan een werknemer moet meedelen dat hij van plan is om tot een loonstop over te gaan en wat de reden van dat voornemen is. De werkgever moet dit direct melden aan de werknemer en mag niet wachten tot de loonbetaling. Als de werkgever dit (tijdig) doet, weet de werknemer waar hij aan toe is en kan hij tijdig maatregelen treffen en zo de daadwerkelijke toepassing van een loonstop voorkomen.
4.8.
Omdat [gedaagde] de loonstop niet mocht toepassen, heeft de bewindvoerder q.q. namens [onderbewindgestelde] recht op doorbetaling van het loon vanaf 11 juli 2024. Dit geldt ook voor de door de bewindvoerder q.q. gevorderde vakantietoeslag. Op de zitting stelt [gedaagde] namelijk dat hij over de niet gewerkte uren geen vakantietoeslag heeft betaald. Omdat sprake is van een onterechte loonstop, moet [gedaagde] ook de vakantietoeslag nog betalen.
4.9.
Op de zitting zet [gedaagde] gemotiveerd uiteen welke bedragen hij in welke periode heeft ingehouden. [gedaagde] stelt dat hij in periode 5 € 1.250,00 netto heeft ingehouden, in periode 6 € 1.500,00 netto, in periode 7 € 2.188,60 netto en in periode 8 € 788,04 netto. Een en ander volgt ook uit de overgelegde loonstroken en de brief van 22 september 2024 met als onderwerp “resterende schuldvordering”. De bewindvoerder q.q. heeft hiertegen geen specifiek verweer gevoerd. De kantonrechter neemt daarom aan dat [gedaagde] in totaal € 5.726,64 netto heeft ingehouden. De bewindvoerder q.q. vordert echter € 5.545,67 netto aan onterecht verrekend loon. Dit is een lager bedrag en de kantonrechter kan niet meer toewijzen dan is gevorderd. Op de zitting legt de bewindvoerder q.q. uit dat zij per abuis is uitgegaan van een maandelijkse betaling van het loon in plaats van een vier wekelijkse uitbetaling en dat daarom een klein verschil zit in het totaalbedrag. De bewindvoerder q.q. deelt op de zitting mee dat zij geen eiswijziging wil. De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag van € 5.545,67 netto daarom toe.
4.10.
Omdat [gedaagde] te laat is met de betaling van het loon, moet hij ook de gevorderde wettelijke rente en de wettelijke verhoging daarover vergoeden. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te beperken tot 20%.
De verdere eindafrekening
4.11.
De kantonrechter zal de gevorderde vakantietoeslag van € 790,35 bruto ook toewijzen. De bewindvoerder q.q. stelt dat de vakantietoeslag wel is opgenomen in de loonstroken, maar dat die bedragen nooit zijn uitbetaald. [gedaagde] bevestigt dit op de zitting. Hiervoor is al geoordeeld dat sprake is van een onterechte loonstop. Dit betekent dat [gedaagde] ook de vakantietoeslag had moeten uitbetalen en dat dus nog moet doen.
4.12.
Het bedrag van € 1.152,95 bruto aan opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen wordt toegewezen omdat [gedaagde] hiertegen geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.
4.13.
[gedaagde] is de wettelijke rente over de vakantietoeslag en vergoeding voor opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen ook verschuldigd omdat hij deze te laat heeft betaald.
4.14.
De kantonrechter zal de gevorderde toekomstige wettelijke rente [4] afwijzen, omdat die nu niet verschuldigd is en het onzeker is of die in de toekomst verschuldigd zal zijn.
Tot slot
4.15.
De kantonrechter wijst de gevorderde verklaring voor recht af. [gedaagde] betwist dat sprake is van een leningsovereenkomst. Hij stelt dat sprake is van betaling van een voorschot op het salaris. De bewindvoerder q.q. heeft verder geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit zou moeten volgen dat sprake is geweest van een lening. Volgens de omschrijving van de vordering liggen de verschillende overboekingen naar voornamelijk derden aan de gesloten geldlening ten grondslag. De bewindvoerder q.q. heeft dit niet toegelicht. Daarmee is de vordering te onbepaald om toe te kunnen wijzen. Hierbij merkt de kantonrechter wel op dat een overeenkomst tussen [onderbewindgestelde] en [gedaagde] over voorschotbetalingen op het loon en/of een geldlening ongeldig en daarmee nietig is en dat dit [gedaagde] kan worden tegengeworpen omdat hij het bewind kende of behoorde te kennen. [5]
4.16.
Het verzochte bedrag aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar. De bewindvoerder q.q. heeft namelijk voldoende gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en het verzochte bedrag is in overeenstemming met het wettelijk tarief. De verzochte wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarding.
4.17.
De bewindvoerder q.q. heeft de vordering tot het overleggen van loonstroken over de periodes 5 tot en met 8 op de zitting gewijzigd. De bewindvoerder q.q. wil een deugdelijke bruto/netto specificatie indien er een nabetaling volgt. De vordering zal worden toegewezen. De bewindvoerder q.q. heeft daar recht op en de vordering is ook niet betwist. De kantonrechter zal een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 1.000,00 opleggen, maar deze zal ingaan 14 dagen na betekening van deze beschikking.
4.18.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de explootkosten niet mogelijk. De bewindvoerder q.q. procedeert namelijk op basis van een toevoeging. De proceskosten van de bewindvoerder q.q. worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
903,00.
in reconventie
4.19.
Het voorgaande betekent dat de tegenvordering van [gedaagde] tot betaling van
€ 21.973,36 wordt afgewezen.
4.20.
[gedaagde] is in de zaak van de tegenvordering in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter bepaalt de kosten van de bewindvoerder q.q. op nul gelet op de samenhang met de zaak van de vordering.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de bewindvoerder q.q. te betalen een bedrag van € 5.545,67 netto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het hiervoor genoemde bedrag en de wettelijke verhoging tot een maximum van 20% vanaf dat het loon respectievelijk de wettelijke verhoging verschuldigd is, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan de bewindvoerder q.q. te betalen een bedrag van
€ 790,35 bruto aan vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het hiervoor genoemde bedrag en de wettelijke verhoging tot een maximum van 20% vanaf dat de vakantietoeslag respectievelijk de wettelijke verhoging verschuldigd is, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan de bewindvoerder q.q. te betalen een bedrag van
€ 1.152,95 bruto aan opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het hiervoor genoemde bedrag en de wettelijke verhoging tot een maximum van 20% vanaf dat de vergoeding voor opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen respectievelijk de wettelijke verhoging verschuldigd is, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis deugdelijke bruto-netto specificaties over de loonbetalingen zoals hiervoor genoemd onder 5.1. tot en met 5.3. te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag voor elke dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 1.000,00,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan de bewindvoerder q.q. te betalen een bedrag van € 700,87 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 25 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 903,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.9.
wijst de vordering van [gedaagde] af,
5.10.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van de bewindvoerder q.q. op nihil worden gesteld.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 1:438 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Op grond van artikel 1:440 lid 1 BW Pro.
3.In de zin van artikel 3:1 BW Pro.
4.Zie de laatste drie regels van de alinea achter het vijfde liggende streepje in het petitum van de dagvaarding.
5.Artikel 1:438 en Pro 1:439 BW.