ECLI:NL:RBNHO:2025:11757

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/369395 / JU RK 25-1254
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging uithuisplaatsing van minderjarigen met autisme en gedragsproblemen

In deze zaak heeft de kinderrechter op 3 oktober 2025 uitspraak gedaan over de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad verzocht om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een jeugdhulpaccommodatie. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van beide minderjarigen ernstig bedreigd wordt door hun huidige thuissituatie en de problemen waarmee zij kampen, waaronder autisme, gedragsproblemen en middelengebruik. Tijdens de zitting is gebleken dat de ouders overbelast zijn en dat vrijwillige hulpverlening niet voldoende is om de situatie te verbeteren. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling toegewezen, maar het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen, omdat er momenteel geen uitzicht is op een geschikte plek voor [de minderjarige 1]. De kinderrechter heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft benadrukt dat het van groot belang is dat de GI snel de benodigde ambulante hulpverlening inzet voor [de minderjarige 1].

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/369395 / JU RK 25-1254
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2012 in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. J. Brouwer, kantoorhoudende te Haarlem,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. J. Brouwer, kantoorhoudende te Haarlem.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 september 2025, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
  • de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
  • de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming (Regio Amsterdam), hierna te noemen de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hierover ieder afzonderlijk een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij hun ouders.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt toegelicht. Er zijn zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Beide kinderen zijn gediagnosticeerd met autisme en de ouders maken een overbelaste indruk. Bij [de minderjarige 1] is daarnaast sprake van mentale problemen, agressieregulatie problemen en fors alcohol- en middelengebruik. Ook heeft [de minderjarige 1] last van nare onverwerkte gebeurtenissen in het verleden. Het is tot op heden onduidelijk wat precies ten grondslag ligt aan het gedrag, de uitingen en het middelengebruik van [de minderjarige 1] . De ouders hebben geen grip meer op haar en op de thuissituatie. Er lijkt sprake te zijn van een patroon waarbij [de minderjarige 1] om hulp vraagt, maar zich dan verzet tegen de hulpverlening. Hulpverlening in het vrijwillig kader is daarom niet van de grond gekomen. Bij [de minderjarige 2] is zijn schoolgang gestagneerd; hij heeft nagenoeg geen motivatie om naar school te gaan, waardoor sprake is van een zeer hoog verzuim. Daarnaast heeft hij geen zinvolle dagbesteding en moeite om sociale contacten aan te gaan. Hoewel de Raad zich voor kan stellen dat eerst ingezet moet worden op zijn sociaal emotionele ontwikkeling en het schools leren voor [de minderjarige 2] op dit moment geen prioriteit heeft, zal [de minderjarige 2] op enig moment uit zijn veilige omgeving moet komen. Voor zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] geldt dat wanneer zij zich niet gehoord of begrepen voelen, zij meteen afhaken.
De Raad acht een tijdelijke uithuisplaatsing c.q. time-out van [de minderjarige 1] noodzakelijk om de rust en veiligheid in de thuissituatie terug te brengen. Het is van groot belang dat dit een passende plek is waar aandacht is voor autisme gerelateerde problematiek en aandacht voor haar middelengebruik. Yes We Can lijkt een geschikte plek daarvoor. Omdat nog niet concreet zicht is op een plek en eerst nog een intake moet plaatsvinden, is een machtiging voor de duur van vier maanden verzocht.

4.De standpunten

4.1.
De ouders hebben ter zitting naar voren gebracht dat de situatie na het uitbrengen van het raadsrapport iets leek te zijn verbeterd. [de minderjarige 1] was met goede moed het schooljaar begonnen, maar na een paar weken is de situatie toch weer omgeslagen. [de minderjarige 1] houdt zich niet aan de regels en – hoewel minder – is nog sprake van middelengebruik. De moeder gaat er vanuit dat het geen onwil is, maar het lukt [de minderjarige 1] niet om op het juiste pad te blijven. [de minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij wel hulp wil, als er maar naar haar geluisterd wordt. Op dinsdag 7 oktober a.s. staat een eerste gesprek met TIMON gepland voor de inzet van Multidimensionele FamilieTherapie (MDFT). [de minderjarige 1] heeft aan de ouders gezegd dat zij daar wel actief aan mee wil werken, maar zij heeft dat nu nog niet kunnen laten zien.
De ouders hebben ook geprobeerd andere hulpverlening in te zetten, maar zij lopen tegen muren op qua zorgmogelijkheden. [de minderjarige 2] wordt in overleg met school en de leerplicht tijdelijk thuis gehouden omdat de school hem niet kan bieden wat hij nodig heeft. Op de vrijdagen wordt [de minderjarige 2] door een ambulante hulpverlener van Vividz opgehaald. Er zal gekeken worden of dit kan worden uitgebreid. Met een ondertoezichtstelling hopen de ouders dat de juiste hulp ingezet kan worden, zoals bijvoorbeeld een individuele coach voor [de minderjarige 1] , en dat [de minderjarige 2] met minder weerstand weer naar school toe kan.
4.2.
Namens de ouders heeft de advocaat ter zitting aangevoerd dat de ouders erkennen dat zij hulp nodig hebben. Tot op heden is het echter niet gelukt om de juiste hulp te krijgen. De ouders staan achter een ondertoezichtstelling, zodat iemand naast hun komt te staan om te bekijken wat nodig is. Voor wat betreft het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] zijn de ouders van mening dat nog te onduidelijk is wat zij nodig heeft. De ouders staan open om samen te werken met de GI. Op dit moment is nog niet besproken welke mogelijkheden er zijn en wat de ouders precies kunnen verwachten in het kader van een uithuisplaatsing. Gelet hierop is verzocht om het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing af te wijzen. Zodra meer duidelijkheid is en zicht op een plek, bestaat de mogelijkheid tot het indienen van een spoedverzoek.

5.De mening van de minderjarigen

5.1.
[de minderjarige 1] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij geschrokken is van het rapport van de Raad. Zij heeft het idee dat het sindsdien al een stuk beter met haar gaat; zo is zij gestopt met drinken en blowen. Een ondertoezichtstelling zou fijn voor haar ouders, maar [de minderjarige 1] wil niet uit huis geplaatst worden. [de minderjarige 1] wil vanuit de thuissituatie aan zichzelf gaan werken.
5.2.
[de minderjarige 2] heeft bij de kinderrechter aangegeven dat hij zich niet echt zorgen maakt; hij vindt dat het wel goed met hem gaat. Hij begrijpt wel dat er zorgen zijn over de ruzies tussen de ouders en [de minderjarige 1] , maar niet over zichzelf. [de minderjarige 2] gaat niet naar school, hij brengt veel tijd door op zijn kamer. Verder gamet hij veel met twee vrienden.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. [de minderjarige 1] is een vijftienjarig meisje dat gediagnosticeerd is met autisme. Zij is extreem in haar emoties, heeft moeite met haar agressieregulatie en kan fysiek worden in conflicten. Sinds ongeveer drie jaar heeft [de minderjarige 1] last van mentale problemen. Zij doet regelmatig suïcidale uitspraken en beschadigt zichzelf wanneer zij boos of verdrietig is. Mogelijk is sprake van trauma gerelateerde klachten. [de minderjarige 1] laat zelfbepalend gedrag zien, er zijn zorgen over haar schoolgang en het netwerk waar zij zich in begeeft. Ook bestaan grote zorgen over haar overmatig alcohol- en drugsgebruik. Ten tijde van het raadsonderzoek was [de minderjarige 1] vrijwel dagelijks onder invloed van alcohol en softdrugs. Dat is heftig, maar al helemaal voor een meisje van vijftien jaar. Tijdens de zitting is gebleken dat het na het raadsonderzoek de goede kant op leek te gaan, maar een aantal weken geleden een omslagpunt heeft plaatsgevonden waarna [de minderjarige 1] een terugval heeft gehad.
[de minderjarige 2] is gediagnosticeerd met autisme en ODD-kenmerken. Als [de minderjarige 2] zich niet begrepen voelt, heeft hij moeite met zijn agressieregulatie. Er zijn zorgen over zijn sociaal emotionele ontwikkeling en zijn schoolgang. [de minderjarige 2] heeft veel wisselingen meegemaakt; zijn schoolgang lijkt niet aan te sluiten bij wat hij nodig heeft. Op dit moment gaat [de minderjarige 2] helemaal niet naar school; hij is niet gemotiveerd en bovendien lijkt hij nu niet gebaat te zijn bij het schoolse leren. Er zal hulpverlening ingezet moeten worden om [de minderjarige 2] eerst te helpen op sociaal emotioneel vlak voordat hij zich cognitief kan ontwikkelen. [de minderjarige 2] staat echter niet open voor hulp en het lukt de ouders niet om hem daartoe te mobiliseren. Daar is dus hulp voor nodig.
Tot slot zijn er zorgen over de opvoedsituatie en onderlinge verhoudingen thuis. Er is sprake van onderlinge spanningen en er vinden regelmatig escalaties plaats tussen de ouders en [de minderjarige 1] . [de minderjarige 2] groeit op in deze onrust en is getuige van de suïcidale uitspraken en automutilatie van zijn zus.
6.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreigingen van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kunnen niet worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders zijn welwillend, maar ook overbelast. Het lukt de ouders niet lukt om met name [de minderjarige 1] de begeleiding en grenzen te bieden die zij nodig heeft. Daarbij komt dat zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] onvoldoende openstaan voor hulpverlening. Hulpverlening in het gedwongen kader waarbij iemand die buiten het gezin staat de regie gaat voeren, is noodzakelijk om de ontstane patstelling te doorbreken.
6.4.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar.
6.5.
De kinderrechter is van oordeel dat er terecht grote zorgen zijn rondom de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en de thuissituatie. De kinderrechter acht een opname van [de minderjarige 1] in een kliniek waar zij kan werken aan haar psychische problemen, verslavingen en gedragsproblemen noodzakelijk, maar de huidige realiteit is dat vanwege de vele wachtlijsten op dit moment nog geen uitzicht op een plek is. Ook is onduidelijk wanneer überhaupt een intake voor een plaatsing zou kunnen plaatsvinden. De kans is dan ook groot dat een opname bij Yes We Can of vergelijkbare passende kliniek lang op zich laat wachten. De kinderrechter ziet hierin aanleiding om het verzoek tot uithuisplaatsing, hoe nodig ook, af te wijzen. In de tussentijd is het aan de GI om op korte termijn te onderzoeken wat het beste is voor [de minderjarige 1] en snel de benodigde ambulante hulpverlening in te zetten. De GI zal ervoor moeten waken dat [de minderjarige 1] niet tussen wal en schip raakt vanwege de wachtlijst problematiek. Het is aan [de minderjarige 1] om vervolgens de aangeboden noodzakelijk geachte hulpverlening te accepteren.
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
stelt
[de minderjarige 1]en
[de minderjarige 2]onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming (Regio Amsterdam), met ingang van 3 oktober 2025 tot 3 oktober 2026;
7.2.
wijst af het verzoek tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. Boon als griffier, en op schrift gesteld op 13 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW.