De moeder verzocht de rechtbank om de omgangsregeling met haar bijna achttienjarige dochter uit te breiden van twee keer per jaar een halfuur naar eenmaal per maand tweeëneenhalf uur. De minderjarige verblijft sinds 2008 bij pleegouders en is onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (GI), die tevens voogdij heeft. De moeder stelde dat de GI onvoldoende inspanningen heeft verricht om omgang te bevorderen en dat er geen contra-indicaties zijn voor uitbreiding.
De GI voerde gemotiveerd verweer en stelde dat de minderjarige een duidelijke mening heeft om de omgangsregeling niet uit te breiden, mede vanwege de spanning en belasting die de omgangsmomenten met zich meebrengen. De minderjarige heeft dit standpunt bevestigd tijdens een kindgesprek met de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat het belang en de mening van de bijna meerderjarige minderjarige zwaar wegen. Gezien haar duidelijke visie en de negatieve ervaringen met de huidige omgangsregeling, ziet de rechtbank geen aanleiding om de regeling uit te breiden. Het verzoek tot nader onderzoek door de raad werd eveneens afgewezen.
De rechtbank wees het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de omgangsregeling af en bevestigde de huidige regeling van twee keer per jaar een halfuur. De beschikking werd uitgesproken door rechter M. Flipse op 13 oktober 2025.