Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:11765

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 oktober 2025
Publicatiedatum
14 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/348752 / FA RK 24-518
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253b BWArt. 7 Verordening Brussel II terArt. 16 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verklaring voor recht eenhoofdig gezag moeder over minderjarige

De moeder heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om voor recht te verklaren dat zij het eenhoofdig gezag over haar minderjarige kind uitoefent. Dit verzoek vloeit voort uit problemen die zij ondervindt bij de uitoefening van het gezag, met name doordat de Poolse autoriteiten in Nederland haar gezag niet erkennen zonder instemming van de vader.

De vader heeft het kind erkend, maar er is nooit gezamenlijk gezag aangevraagd. De moeder voert aan dat de vader sinds 2020 afwezig is, geen contact onderhoudt met het kind en dat de relatie tussen de ouders werd belast door het alcoholprobleem van de vader. De moeder ervaart grote spanningen bij het contact met de vader en ontvangt begeleiding vanwege haar ziekte en de situatie.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is de zaak te behandelen, omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op grond van artikel 1:253b BW oefent de moeder van rechtswege het eenhoofdig gezag uit. De rechtbank wijst het verzoek van de moeder toe en verklaart voor recht dat zij het gezag alleen uitoefent. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de vader heeft geen verweer gevoerd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart dat de moeder van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige uitoefent.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
gezag
zaaknummer: C/15/348752 / FA RK 24-518
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 13 oktober 2025
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna: de moeder,
advocaat mr. J.W.E. Groot, kantoorhoudende te Wognum,
tegen
[de vader],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier in Nederland,
hierna: de vader.
betreffende
de minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] te [plaats] .

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ingekomen op 2 februari 2024;
- het bericht van de zijde van de moeder van 25 juni 2025.
1.2
De vader heeft bij de rechtbank binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.
1.3
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 september 2025. Ter zitting was aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De vader was, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig ter zitting.

2.De feiten

2.1
De ouders hebben een affectieve relatie gehad.
2.2
Deze zaak heeft betrekking op het volgende minderjarige kind van de ouders: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
2.3
De vader heeft [de minderjarige] erkend.
2.4
De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is bij de moeder bepaald.

3.Het verzoek

3.1
De moeder verzoekt
primairvoor recht te verklaren dat de moeder belast is met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
Subsidiairverzoekt de moeder het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat zij het gezag over [de minderjarige] alleen uitoefent.
3.2
Als onderbouwing van haar verzoek stelt de moeder dat de medewerkers van de Poolse autoriteiten in Nederland niet erkennen dat de moeder het gezag over [de minderjarige] alleen uitoefent. Hierdoor ondervindt de moeder problemen in de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] . Zo lukt het de moeder niet om het Poolse paspoort van [de minderjarige] te vernieuwen. De medewerkers van de Poolse ambassade verlangen van de moeder een instemmingsverklaring van de vader omdat hij ook gezag zou hebben over [de minderjarige] .
Primairstelt de moeder dat nooit sprake is geweest van gezamenlijk gezag. De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] altijd alleen uitgeoefend. Indien de rechtbank van oordeel is dat wel sprake is van gezamenlijk gezag, verzoekt de moeder
subsidiairhet gezamenlijk gezag te beëindigen omdat sprake is van gewijzigde omstandigheden. De moeder stelt dat zij grote spanningen ervaart bij de gedachte om contact te moeten zoeken met de vader om zijn instemming te vragen voor het vernieuwen van het paspoort van [de minderjarige] . De relatie tussen de ouders werd beheerst door het alcoholprobleem van de vader. Toen de moeder in 2020 werd gediagnosticeerd met borstkanker, heeft de vader het gezin verlaten. De vader is zonder bericht vertrokken en voor de moeder is het niet duidelijk waar hij momenteel verblijft. De moeder heeft geen contact meer met de vader en sinds het vertrek van de vader heeft [de minderjarige] geen contact meer gehad met zijn vader. De ziekte van de moeder, in combinatie met haar ervaringen met de vader en zijn afwezigheid als partner en vader, heeft de moeder getraumatiseerd. De moeder ontvangt hulp en begeleiding van een thuisbegeleider via het gemeentelijk wijkteam. Naast de spanningen van de moeder ten aanzien van de vader, heeft de vader al langere tijd geen contact met [de minderjarige] . De vader maakt geen deel uit van zijn leven en is niet betrokken.
3.3
De vader heeft geen verweer gevoerd.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1
Uit de stukken kan worden afgeleid dat beide ouders en [de minderjarige] de Poolse nationaliteit bezitten. Voordat de rechtbank zich kan buigen over het verzoek van de moeder, moet worden beoordeeld – vanwege het internationale karakter van de zaak – of de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Deze beoordeling dient ambtshalve plaats te vinden. Het verzoek van de moeder ziet op een verklaring voor recht dat zij het gezag over [de minderjarige] alleen uitoefent. Dit betreft een geschil inzake de totstandkoming van de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van de Verordening Brussel II ter. Ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot verklaring voor recht had [de minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland, zodat de Nederlandse rechter ten aanzien van het verzoek rechtsmacht toekomt (artikel 7, eerste lid, Verordening Brussel II ter). De Nederlandse rechter zal Nederlands recht toepassen (artikel 16 Haags Pro Kinderbeschermingsverdrag 1996).
De beoordeling door de rechtbank
4.2
Het Nederlandse recht betreffende het gezag van de ouders anders dan na scheiding is geregeld in Boek 1, titel 14, afdeling 2, paragraaf 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit artikel 1:253b BW volgt dat de moeder van rechtswege alleen het gezag over [de minderjarige] uitoefent omdat de moeder en de vader niet met elkaar gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en geen gezamenlijk gezag over [de minderjarige] hebben aangevraagd.
4.3
Gezien het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de moeder het gezag over [de minderjarige] alleen uitoefent en heeft de moeder er belang bij dat deze juridische situatie in deze beschikking wordt vastgesteld. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om voor recht te verklaren dat zij alleen het gezag over [de minderjarige] uitoefent dan ook toewijzen.
4.4
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
verklaart voor recht dat de moeder op grond van artikel 1:253b BW van rechtswege alleen het gezag uitoefent over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.