Connecting vordert dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [bedrijf 1] en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade. De kern van het geschil betreft de verkoop van boten door [gedaagde 3] aan het familiebedrijf [gedaagde 1] tegen prijzen die volgens Connecting ver onder de kostprijs lagen, en het onrechtmatig achterhouden van eigendommen van [bedrijf 1] door [gedaagde 1].
De rechtbank stelt vast dat de cessie van vorderingen aan Connecting rechtsgeldig is en dat Connecting ontvankelijk is. Ten aanzien van de vermeende onbehoorlijke taakverdeling en frustratie van de bedrijfsvoering slaagt het verwijt niet, mede omdat onvoldoende is onderbouwd dat de verkoopprijzen niet marktconform waren. Wel oordeelt de rechtbank dat zes boten onrechtmatig door [gedaagde 1] zijn in bezit gehouden, omdat de verkoop daarvan in november 2023 onbevoegd is geschied door [gedaagde 3].
De vordering tot schadevergoeding voor deze zes boten wordt toegewezen tot een bedrag van €150.898,86 exclusief btw. Voor de overige eigendommen zoals zonnedekken, machines en gereedschappen is onvoldoende bewijs voor onrechtmatig bezit. De overige vorderingen van Connecting worden afgewezen, mede wegens verrekening met vorderingen van [gedaagde 1] op [bedrijf 1]. Connecting wordt veroordeeld in de proceskosten.