ECLI:NL:RBNHO:2025:12093

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
25/1527
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens onvoldoende arbeidsaanvaarding

Het college heeft de bijstandsuitkering van eiser verlaagd met 50% voor de maand november 2024, omdat eiser onvoldoende gebruik zou hebben gemaakt van de geboden voorzieningen en zijn verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en te behouden niet zou zijn nagekomen. Eiser betwist dit en voert aan dat hij gemotiveerd was en dat er rekening is gehouden met zijn thuissituatie.

De rechtbank oordeelt dat eiser na zijn eerste werkdag bij een werkgever het werk heeft geweigerd vanwege moeilijkheden en een taalbarrière, en dat hij in een gesprek op 3 oktober 2024 zelf heeft aangegeven ongemotiveerd te zijn, wat hij niet onderbouwd ontkent. Ook bleek dat zijn beschikbaarheid voor een werkstage beperkt was tot nachtdiensten, waardoor de stage niet van de grond kwam.

De rechtbank stelt vast dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de thuissituatie van eiser, onder meer door flexibele werktijden en ondersteuning aan te bieden, die eiser niet heeft benut. De maatregel is gematigd tot 50% vanwege de gezinssituatie en financiële gevolgen, maar verder matigen is niet gerechtvaardigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verlaging van de bijstandsuitkering met 50%.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1527

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit Heemstede, eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Ouderdorp),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede, het college
(gemachtigde: S. Wouterson en D. Beunk).

Samenvatting

1. In deze zaak heeft het college de bijstandsuitkering van eiser bij wijze van een maatregel verlaagd. De reden daarvan is dat eiser onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de geboden voorziening en hij zijn verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en te behouden niet is nagekomen. Eiser betwist dit. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het beroep slaagt daarom niet.

Procesverloop

2.1.
Bij besluit van 24 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan eiser een maatregel opgelegd betreffende verlaging van zijn bijstandsuitkering met 50% gedurende de maand november 2024.
2.2.
Bij besluit van 5 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het primaire besluit gehandhaafd.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Standpunt eiser

3. Eiser stelt dat hij voldoende gemotiveerd is geweest om aan het werk te gaan. Ook stelt eiser dat geen sprake is van het niet aanvaarden van passend werk. Eiser verwijst naar de door hem bij zijn beroepschrift van 27 mei 2025 overgelegde whatsappberichten. Eiser geeft aan het werk bij [naam] te hebben geprobeerd, alleen hij dit niet leuk en te moeilijk vond vanwege de taalbarrière. Nadat hij is aangesproken op zijn houding heeft hij hieraan gehoor gegeven. Door eiser is verder aangegeven dat hij liever bij de Albert Heijn of als taxichauffeur wilde gaan werken. De baan bij de Albert Heijn was een van de functies die eerder met hem was besproken. Anders dan het college stelt blijkt hieruit geen ongemotiveerde houding. Wat betreft de interne werkstage bij Spaarne Werkt heeft eiser aangegeven enkel in de nachten te kunnen werken vanwege zijn thuissituatie. Dit was bij Spaarne Werkt ook bekend. Ook hieruit volgt geen ongemotiveerde houding. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd nog aangevoerd dat eiser in het gesprek dat heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2024, anders dan staat vermeld, niet heeft aangegeven dat hij ongemotiveerd zou zijn.
Daarnaast stelt eiser dat hem geen verwijt kan worden gemaakt.
Ook stelt eiser dat de inkeerregeling van toepassing is, omdat eiser een nieuwe baan heeft gevonden.

Standpunt college

4. Het college stelt zich, onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie, op het standpunt dat de maatregel terecht aan eiser is opgelegd op grond van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, g en h, van de Participatiewet (PW). Uit de correspondentie tussen Spaarne Werkt en het college blijkt dat eiser zich niet aan de voorwaarden uit het plan van aanpak heeft gehouden, hij ongemotiveerd is te werken in het aangeboden werk, hij onvoldoende meewerkt aan het traject en wordt gezien als niet bemiddelbaar voor werk. Hierdoor heeft eiser onvoldoende gebruik gemaakt van de geboden voorziening en is hij zijn verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en te behouden niet nagekomen. Verder is niet gebleken van een situatie waarbij alle verwijtbaarheid ontbreekt.
Bij het zoeken van passende vacatures is voldoende rekening gehouden met eisers thuissituatie. Zo kon eiser bij [naam] en bij de stageplek bij Spaarne Werkt later beginnen of eerder weg. Ook is ondersteuning is aangeboden, waaronder de mogelijkheid om een aanvraag voor kinderopvang op sociaal-medische gronden in te dienen. Hier is door eiser geen gebruik van gemaakt. Het college ziet verder geen dringende reden op basis waarvan de opgelegde maatregel verder dient te worden gematigd.

Beoordeling door de rechtbank

Gedraging
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser de in artikel 18, vierde lid, aanhef en onder a, g en h, van de PW genoemde verplichtingen niet is nagekomen en overweegt daartoe als volgt.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt duidelijk uit de stukken en de door eiser overgelegde whatsappberichten dat eiser na zijn eerste werkdag de baan bij [naam] heeft geweigerd, omdat hij het werk niet leuk en te moeilijk vond. Vervolgens heeft eiser in het gesprek van 15 juli 2024 een waarschuwing gekregen vanwege zijn werkhouding bij [naam] . Anders dan eiser stelt volgt uit de in het dossier aanwezige stukken in het geheel niet dat eiser hetgeen is besproken in dit gesprek niet heeft begrepen. Daarbij komt dat eiser niet eerder kenbaar heeft gemaakt dat hij de gesprekken niet goed kon volgen en de inhoud daarvan niet begreep vanwege de taalbarrière. Daarnaast heeft eiser voorafgaand aan de start van zijn interne werkstage bij Spaarne Werkt aangegeven alleen in de nachten beschikbaar te zijn vanwege zijn thuissituatie, waardoor deze werkstage niet van de grond is gekomen.
Ook heeft eiser in het gesprek dat heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2024, in het kader van het voornemen tot het opleggen van een maatregel, zelf aangegeven ongemotiveerd te zijn. Eiser ontkent dit te hebben gezegd, maar deze stelling is in het geheel niet onderbouwd.
De rechtbank is het daarom met het college eens dat dit alles blijk geeft van een ongemotiveerde houding die in de weg staat aan het vinden en behouden van een passende baan. De omstandigheid dat eiser wel heeft aangeven te willen werken bij de Albert Heijn of als taxichauffeur maakt niet dat eiser om die reden wel gemotiveerd is. Uit de stukken volgt immers dat eiser de baan bij de Albert Heijn ook niet zo geweldig vond.
Verwijtbaarheid
6. Voor zover eiser stelt dat bij de aangeboden functies onvoldoende rekening is gehouden met zijn thuissituatie volgt de rechtbank eiser daarin niet. Bij zowel de baan bij [naam] als bij de interne werkstage bij Spaarne Werkt was afgesproken dat eiser later kon beginnen of eerder weg mocht vanwege zijn kinderen. Niet blijkt uit de stukken dat eiser onbekend was met deze informatie. Bovendien is door het college aangeboden om te onderzoeken of het mogelijk is om eiser te ondersteunen bij het halen en brengen van zijn kinderen en kon een gesprek bij het Wmo-loket worden geregeld om te bezien of er huishoudelijk ondersteuning kon worden aangeboden. Ook is hulp aangeboden van Stichting Buurtgezinnen. Door eiser is van deze mogelijkheden geen gebruik gemaakt. Eiser heeft niet (met stukken) onderbouwd dat een eerdere poging tot het regelen van kinderopvang lang heeft geduurd en niet heeft geleid tot het gewenste resultaat. Het voorgaande leidt er dan ook niet toe dat sprake is van het ontbreken van elke verwijtbaarheid.
Dringende redenen
7. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat eiser inmiddels werk heeft gevonden niet maakt dat moet worden afgezien van het opleggen van een maatregel dan wel dat deze verder moet worden gematigd. Ter zitting is immers komen vast te staan dat eiser op 1 juli 2025 nog een bijstandsuitkering ontving. Daarnaast constateert de rechtbank dat door het college bij het opleggen van de maatregel rekening is gehouden met de gezinssituatie van eiser en de ongewenste financiële gevolgen die het opleggen van een maatregel met zich meebrengt. Op basis hiervan heeft het college aanleiding gezien de maatregel te matigen tot 50%. De rechtbank kan het college hierin volgen. Voor een verdergaande matiging ziet de rechtbank geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Zorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.