ECLI:NL:RBNHO:2025:12094

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
11757869 \ CV EXPL 25-4005
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:42 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugsnoeien van struik nabij erfgrens in burenconflict

In deze burenzaak vordert eiser dat gedaagde een struik in zijn tuin terug snoeit tot een hoogte van maximaal twee meter, omdat deze struik te dicht op de erfgrens staat en hinder veroorzaakt. Gedaagde erkent de nabijheid van de struik tot de erfgrens, maar weigert te snoeien zolang eiser niet meewerkt aan het oplossen van problemen met de mandelige schutting en wateroverlast.

De kantonrechter overweegt dat hoewel eigenaren vrijheid hebben in beplanting, dit niet onbeperkt is. Beplanting mag geen onaanvaardbare hinder veroorzaken, zoals het wegnemen van zonlicht. De struik kwalificeert als heester en staat binnen 0,5 centimeter van de erfgrens zonder toestemming van eiser. Daarom wordt gedaagde veroordeeld de struik terug te snoeien tot twee meter en deze hoogte te handhaven.

De gevorderde dwangsom wordt gematigd tot €100 per dag met een maximum van €2.500, ingaande één maand na het vonnis. De tegenvordering van gedaagde om medewerking aan vervanging van de mandelige schutting en oplossing van wateroverlast wordt afgewezen wegens onvoldoende concreetheid en onderbouwing. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.050,31 en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld de struik terug te snoeien tot twee meter en deze hoogte te handhaven, met een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11757869 \ CV EXPL 25-4005
Vonnis van 1 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2],
tegen

1.[gedaagde 1],

te [plaats],
2.
[gedaagde 2],
te [plaats],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[eiser] en [gedaagden] zijn buren van elkaar. Tussen hen zijn geschillen ontstaan over onder andere de mandelige schutting en een struik in de tuin van [gedaagden]. Volgens [eiser] staat die struik te dicht bij de erfgrens en ondervindt zij daar hinder van. [eiser] vordert dat [gedaagden] deze struik terugsnoeit tot twee meter. [gedaagden] erkent dat de struik te dicht op de erfgrens staat, maar hij weigert desondanks de struik te snoeien omdat [eiser] ook niet meewerkt aan oplossing van de problemen met de mandelige schutting. De kantonrechter zal de vordering van [eiser] toewijzen. [gedaagden] moet dus de struik terug snoeien tot een hoogte van twee meter, en vervolgens op (maximaal) die hoogte houden. De tegenvordering van [gedaagden] zal als onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd worden afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 11 juni 2025, met producties;
- mondeling antwoord van 2 juli 2025 met een tegenvordering en producties;
- tussenvonnis van 23 juli 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is sinds 1 december 2004 eigenaar van de woning gelegen aan het adres [adres 1] te ([postcode] [plaats].
2.2.
[gedaagde 1] is eigenaar van de woning gelegen aan het adres [adres 2] te ([postcode] [plaats].
2.3.
Partijen zijn buren. Zij hebben een langdurig conflict over onder andere de mandelige schutting, wateroverlast en een struik in de tuin van [gedaagden] (hierna: de struik).
2.4.
De struik staat te dicht op de erfgrens.
2.5.
Partijen hebben via mediation geprobeerd een oplossing te vinden voor hun geschil. Dat is niet gelukt.

3.Het geschil

in de hoofdzaak
3.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagden] tot het inkorten en ingekort houden van de struik gelegen binnen 0,5 centimeter van de erfgrens tot een maximum van twee meter hoog op verbeurte van een dwangsom, te vermeerderen met de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagden] een struik in de tuin heeft staan die te dicht op de erfgrens staat. De struik ontneemt aan haar zonlicht.
3.3.
[gedaagden] erkent dat een struik te dicht bij de erfgrens staat. Hij licht toe dat hij de struik niet heeft gesnoeid, omdat [eiser] ook niet meewerkt aan oplossing van de problemen met de mandelige schutting en wateroverlast in zijn tuin.
in de tegenvordering
3.4.
Bij wijze van tegenvordering vraagt [gedaagden] medewerking van [eiser] om de mandelige schutting te vervangen. Verder vraagt hij om een oplossing voor de wateroverlast in zijn tuin als gevolg van de opgehoogde tuin van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.5.
[eiser] betwist de tegenvordering en voert daartoe aan dat: i) de vordering onvoldoende concreet is gemaakt en ii) dat deze niet is onderbouwd.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang zullen de vordering en de tegenvordering gezamenlijk worden behandeld.
Moet [gedaagden] de struik snoeien?
4.2.
In zijn algemeenheid geldt als uitgangspunt dat de eigenaar van een tuin de vrijheid heeft die tuin naar eigen inzicht te voorzien van beplantingen. Dat uitgangspunt is echter niet onbeperkt. Zo is het bijvoorbeeld niet toegestaan om op een dusdanige wijze te beplanten dat een aangrenzende tuin in te grote mate van licht en/of lucht wordt afgesneden, dan wel anderszins onaanvaardbare hinder ondervindt. Tegen deze achtergrond is in de wet een regeling opgenomen [1] die ertoe strekt te voorkomen dat hoog opschietende beplanting zich te dicht tegen de erfgrens bevindt. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen heesters en heggen enerzijds en bomen anderzijds. Dat onderscheid vindt zijn achtergrond in de aanname dat een boom in de regel een grotere hoogte zal bereiken dan een heester of heg, en daarom op een grotere afstand van de erfgrens moet staan. Overigens kan op grond van een plaatselijke verordening of gewoonte een kleinere afstand toegestaan zijn, maar daarvan is in dit geval niet gebleken.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de in de tuin van [gedaagden] aanwezige beplanting in het kader van artikel 5:42 BW Pro als ‘heester’ ofwel in spreektaal als ‘struik’ dient te worden gekwalificeerd. Ook is niet in geschil dat deze struik binnen 0,5 centimeter van de erfgrens staat en dat [eiser] voor de struik geen toestemming heeft gegeven. Gelet hierop is de vordering tot het terugsnoeien van de struik tot twee meter toewijsbaar. [gedaagden] zal daarom worden veroordeeld om de struik terug te snoeien tot een hoogte van twee meter, en vervolgens op (maximaal) die hoogte te houden.
4.4.
Gelet op het voorgaande behoeft de tweede grondslag, te weten onrechtmatige hinder, geen bespreking meer.
Dwangsom
4.5.
[eiser] heeft een dwangsom gevorderd van € 200,00 of een gedeelte daarvan dat [gedaagden] nalaat de struik terug te snoeien met een maximum van € 10.000,00.
De kantonrechter zal een dwangsom opleggen – mede gezien de lange duur van het burenconflict - als prikkel voor [gedaagden] om aan de beslissing te voldoen.
De door [eiser] gevorderde dwangsom komt de kantonrechter te hoog voor, zodat een dwangsom van € 100,00 zal worden opgelegd per dag dat [gedaagden] in gebreke blijft met het terug snoeien van de struik met een maximum van € 2.500,00. De dwangsom kan pas gaan lopen één maand na de datum van dit vonnis. Tot die tijd heeft [gedaagden] nog de kans om aan de veroordeling te voldoen en te voorkomen dat hij dwangsommen moet betalen.
Tegenvordering: mandelige schutting en wateroverlast
4.6.
De tegenvordering van [gedaagden] wordt afgewezen. [gedaagden] heeft allereerst onvoldoende concreet gemaakt wat hij precies vordert. Daarnaast heeft [gedaagden] onvoldoende gesteld en onderbouwd dat [eiser] niet dan wel onvoldoende meewerkt aan het vervangen van de mandelige schutting en dat sprake is van wateroverlast in zijn tuin als gevolg van de door [eiser] opgehoogde tuin. Aangevoerd is dat de mandelige schutting er al heel veel jaren staat, maar wat de staat van de schutting is en waarom deze dringend aan vervanging toe zou zijn is niet concreet toegelicht en niet onderbouwd. Ook de betwiste wateroverlast is onvoldoende concreet toegelicht en onderbouwd en hetzelfde geldt voor de betwiste oorzaak daarvan.
Conclusie en proceskosten
4.7.
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom zowel de proceskosten in de hoofdzaak als in de tegenvordering (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,81
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
677,50
(2,5 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.050,31
4.8.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere gedaagde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.9.
De kantonrechter zal dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing van de kantonrechter moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in de hoofdzaak
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen één maand na betekening van dit vonnis de hoogte van de struik die is gelegen binnen 0,5 centimeter tot de erfgrens (als beschreven onder rechtsoverweging 4.3 van dit vonnis) terug te brengen tot een hoogte van maximaal twee meter en deze struik onder genoemde hoogte te houden, een en ander onder bepaling dat [gedaagden] een dwangsom verbeuren ter hoogte van € 100 per dag dat zij hiermee in gebreke blijven, een en ander tot een maximum van € 2.500,00;
5.2.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in de tegenvordering
5.3.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af;
in de hoofdzaak en in de tegenvordering
5.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.050,31, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.

Voetnoten

1.Artikel 5:42 BW Pro.