ECLI:NL:RBNHO:2025:12121

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
AWB - 24 _ 854
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling van aanvullende douanerechten voor staalproducten van oorsprong uit Rusland in het kader van EU-sancties

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, gedaan op 21 oktober 2025, staat de vraag centraal of de Douane terecht twee verzoeken om terugbetaling van aanvullende douanerechten door eiseres heeft afgewezen. Eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. R. Andringa, had in totaal € 149.135,79 aan aanvullende rechten betaald voor staalproducten van oorsprong uit Rusland, na de invoering van EU-sancties. De Douane had de verzoeken om terugbetaling afgewezen, met als argument dat de invoer van deze producten onderhevig was aan aanvullende rechten vanwege het uitgeputte tariefcontingent voor 'andere landen'. Eiseres betoogde dat de verordening die deze rechten regelt ongeldig was en dat er sprake was van bijzondere omstandigheden die terugbetaling rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde echter dat de Douane terecht had gehandeld en dat er geen sprake was van bijzondere omstandigheden die een terugbetaling rechtvaardigden. De rechtbank concludeerde dat de verzoeken om terugbetaling ongegrond waren en verklaarde het beroep van eiseres ongegrond. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor bedrijven om zich bewust te zijn van de politieke en handelsrisico's bij het invoeren van goederen uit landen die onderhevig zijn aan sancties.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/854

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 21 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats] ( [land] ), eiseres
(gemachtigde: mr. R. Andringa),
en

de inspecteur van Douane, verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of verweerder terecht twee verzoeken om terugbetaling van eiseres heeft afgewezen. Achtergrond van het geschil zijn handelsmaatregelen die tegen de Russische Federatie (hierna: Rusland) zijn getroffen.
Op 7 oktober 2022 heeft verweerder in één geschrift twee verzoeken om terugbetaling van eiseres ontvangen. Deze betroffen aanvullende rechten van in totaal € 149.135,79, verdeeld over twee aangiften.
Op 30 juni 2023 heeft verweerder in één beschikking de verzoeken afgewezen.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Met de uitspraak op bezwaar van 9 januari 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft op 16 februari 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2025 te Haarlem.
Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. dr. [naam 1] ,
[naam 2] (MSc) en mr. [naam 3] .

Feiten

1.
Op 12 mei 2022 diende [bedrijf] B.V. als direct vertegenwoordiger van eiseres via het geautomatiseerde aangiftesysteem (hierna: AGS) een aangifte met nummer eindigend op [# 1] in tot plaatsing van goederen onder de regeling ‘in het vrije verkeer brengen’. De goederen werden in de drie aangifteartikelen omschreven als “hot rolled round bars with peeling” en aangegeven onder de goederencodes 7215 5019 00, 7215 5080 00 en 7228 5061 00. In de aangifte is Rusland als het land van oorsprong vermeld. Voor staalproducten van oorsprong uit Rusland is met ingang van 16 maart 2022 een invoerverbod van kracht. [1] In vak 44 van de aangifte staat de bescheidcode Y825 vermeld, waarmee de aangever aanduidt dat sprake is van een anterieur contract in de zin van artikel 3 octies, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 833/2014. Op basis van dat artikel was tot en met 17 juni 2022 het invoerverbod niet van toepassing voor de uitvoering van contracten die waren afgesloten vóór 16 maart 2022. Ter onderbouwing is voor de aangifte een contract van 6 augustus 2021 overgelegd.
2. Op 20 mei 2022 beëindigde de douane de verificatie van deze aangifte zonder correcties. De goederen werden vrijgegeven voor de gevraagde regeling en verweerder heeft een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 1) aan eiseres uitgereikt van in totaal € 59.373,03 aan aanvullende rechten, onder de overweging dat het tariefcontingent ‘andere landen’ was uitgeput.
3. Op 19 mei 2022 diende [bedrijf] B.V. als direct vertegenwoordiger van eiseres via AGS een aangifte met nummer eindigend op [# 2] in tot plaatsing van goederen onder de regeling ‘in het vrije verkeer brengen’. De goederen werden in de drie aangifteartikelen omschreven als “hot rolled steel bars” en aangegeven onder de goederencodes 7215 5019 00, 7215 5080 00 en 7228 5061 00. In de aangiften is Rusland als het land van oorsprong vermeld. Vak 44 verwijst naar een appendix en uit de controleresultaten blijkt dat voor vak 44 een koopcontract is ingezien en conform bevonden (bescheidcode Y825). Voor deze aangifte is ter onderbouwing een contract van 15 oktober 2021 overgelegd.
4. Op 2 juni 2022 beëindigde de douane de verificatie van deze aangifte zonder correcties. De goederen werden vrijgegeven voor de gevraagde regeling en verweerder heeft een uitnodiging tot betaling (hierna: utb 2) aan eiseres uitgereikt van in totaal € 89.762,76 aan aanvullende rechten, onder de overweging dat het tariefcontingent ‘andere landen’ was uitgeput.
5. Vervolgens heeft eiseres de in de inleiding genoemde verzoeken om terugbetaling gedaan. Verweerder heeft die verzoeken afgewezen. Dat besluit is in bezwaar gehandhaafd.

Geschil en standpunten van partijen

6. In geschil is of verweerder de verzoeken om terugbetaling terecht heeft afgewezen onder de overweging dat eiseres aanvullende rechten verschuldigd is voor staalproducten van oorsprong uit Rusland.
7. Eiseres stelt dat verweerder haar verzoeken om terugbetaling ten onrechte heeft afgewezen.
Zij betoogt allereerst dat Verordening (EU) nr. 2021/1029 (over de verlenging van vrijwaringsmaatregelen) [2] ongeldig is.
Ook Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2022/434 [3] , waarmee het landspecifieke tariefcontingent voor bepaalde staalproducten van oorsprong uit Rusland werd ingetrokken, is ongeldig omdat de Europese Commissie (hierna: Commissie) daarbij een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Uit overweging nr. 3 van deze verordening blijkt dat de Commissie ten onrechte ervanuit is gegaan dat geen enkel staalproduct meer uit Rusland kon worden ingevoerd. Artikel 1, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2022/428 [4] voorziet echter in een overgangsregeling waarbij tot en met 17 juni 2022 uitvoering mag worden gegeven aan contracten die zijn afgesloten vóór 16 maart 2022. Het landspecifieke tariefcontingent had gedurende deze overgangsregeling in stand moeten blijven.
Eiseres doet ook een beroep op artikel 120 van het DWU. De douaneschulden moeten worden kwijtgescholden, omdat deze zijn ontstaan in bijzondere omstandigheden, waarin eiseres geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest. Het invoerverbod is plotseling ingesteld met als gevolg dat ook het landspecifieke tariefcontingent voor staalproducten van oorsprong uit Rusland is ingetrokken. Hierdoor kon eiseres alleen nog het tariefcontingent ‘andere landen’ gebruiken, dat niet alleen qua omvang veel kleiner was maar ook diende voor goederen van oorsprong uit andere landen dan Rusland. Dit zijn bijzondere omstandigheden. Eiseres vindt voor haar betoog steun in de punten 25 en 26 van het document van de Commissie over de toepassing van Verordening (EU) nr. 833/2014 [5] en overweging 6 van de Verordening (EU) nr. 2022/434 waarin de omstandigheden als ‘uitzonderlijk’ worden beschreven. Voor eiseres ontstond een aanzienlijk nadeel in vergelijking met andere marktdeelnemers die actief zijn bij de invoer van staalproducten. Marktdeelnemers in de vergelijkingsgroep die staalproducten invoerden van oorsprong uit landen waarvoor landspecifieke tariefcontingenten golden, waren op dat moment wél in staat om hun prijzen daarop te bepalen en mee te nemen in onderhandelingen. Zolang het landspecifieke tariefcontingent niet uitgeput was hoefden zij, anders dan eiseres, geen rekening te houden met aanvullende rechten. En zelfs als het landspecifieke tariefcontingent bijna uitgeput zou raken, was dit voor die andere marktdeelnemers inzichtelijk en dus planbaar. Eiseres werd daarentegen geconfronteerd met een plotselinge schrapping van het landspecifieke tariefcontingent voor staalproducten van oorsprong uit Rusland. Verder betoogt eiseres dat in een soortgelijke situatie de Commissie heeft besloten wel rechten terug te betalen (beschikking REM 17/92).
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de beslissingen op de verzoeken om terugbetaling en verzoekt de rechtbank verweerder op te dragen de aanvullende rechten terug te betalen, met veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiseres in bezwaar en beroep.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij terecht de verzoeken om terugbetaling heeft afgewezen.
Verordening (EU) nr. 2021/1029 (over de verlenging van vrijwaringsmaatregelen) is niet ongeldig.
Verder heeft de Commissie in Verordening (EU) nr. 2022/434 geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door niet ook de overgangsregeling inzake het invoerverbod expliciet te vermelden. In artikel 3 octies van Verordening (EU) nr. 833/2014 is deze overgangsregeling namelijk opgenomen. Volgens verweerder bestond er voor de Commissie dus geen reden om dit in de considerans van Verordening (EU) nr. 2022/434 te herhalen en is het evident dat dit voor de Commissie een relevante achtergrond vormde voor haar beoordeling van de gevolgen voor de bestaande vrijwaringsmaatregelen.
Verweerder betwist dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 120 van het DWU. Het invoerverbod is geleidelijk ingesteld. Met het invoerverbod is voorzien in een overgangsregeling waardoor tot en met 17 juni 2022 uitvoering kon worden gegeven aan contracten die al waren afgesloten. Bovendien is het landspecifieke tariefcontingent voor stalen producten van oorsprong uit Rusland tot en met 31 maart 2022 in stand gelaten. Hierdoor kon eiseres ook na 15 maart 2022 nog steeds om toepassing daarvan vragen. En voor de periode tot en met 17 juni 2022 kon eiseres het tariefcontingent voor ‘andere landen’ benutten. Eiseres kon op 16 maart 2022 al kennisnemen van deze aanpassingen. Zij lijkt vertraagd op deze aanpassing te hebben gereageerd. Wanneer eiseres door haar eigen handelen of nalaten heeft misgegrepen bij tariefcontingenten, kan zij het gevolg niet afwentelen op de Europese Unie via een beroep op artikel 120 van het DWU. Eiseres vergelijkt zichzelf ten onrechte met marktdeelnemers die wel aanspraak kunnen maken op een landspecifiek tariefcontingent. Zij moet zich vergelijken met marktdeelnemers die, net als eiseres, een beroep konden doen op het tariefcontingent ‘andere landen’. Ten opzichte van die marktdeelnemers bevindt eiseres zich niet in een uitzonderlijke situatie. Dat eiseres door het voor haar onverwachte invoerverbod niet in staat was rekening te houden met het betalen van aanvullende rechten en de impact daarvan op haar prijzen en onderhandelingen, is geen bijzondere omstandigheid. De toekomstige beschikbaarheid van tariefcontingenten behoort tot het handelsrisico van ondernemingen. Vrijwaringsmaatregelen zijn naar hun aard uitzonderlijke maatregelen, bedoeld om de invoer van een bepaald product tijdelijk te reguleren. Verder is het eiseres zelf die haar eigen onderhandelingsruimte over prijzen heeft beperkt door al ver tevoren (in 2021 en januari 2022) contracten met leveranciers te sluiten. De in overweging 6 van Verordening (EU) nr. 2022/434 genoemde “huidige uitzonderlijke omstandigheden” gaan niet over uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 120 van het DWU, maar over de zorg van de Commissie voor een toereikend aanbod van staal op de markt van de Europese Unie vanwege het door de oorlog in Oekraïne wegvallen van aanbod uit zowel Belarus als Rusland. Hetzelfde geldt voor het Commissiedocument met een verzameling van douanegerelateerde veelgestelde vragen voortvloeiend uit Verordening (EU) nr. 833/2014. De situatie waarin eiseres zich bevindt is anders dan de in dat document beschreven situaties. Daarin gaat het niet om samenloop van de sanctiemaatregelen met de toepassing van vrijwaringsmaatregelen, maar om bepaalde procesrechtelijke termijnen die in verband met de sanctiemaatregelen niet haalbaar kunnen blijken. De verwijzing naar de beschikking REM 17/92 kan eiseres ook niet baten. In die zaak ging het niet om vrijwaringsmaatregelen.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Relevante regelgeving

Sanctiemaatregelen tegen Rusland9.De Europese Unie heeft met ingang van 31 juli 2014 maatregelen getroffen tegen Rusland.

10. De Europese Unie heeft ook economische sanctiemaatregelen getroffen. [7] Deze sanctiemaatregelen zijn tot op heden ieder jaar verlengd.
11. Na de militaire invasie op 24 februari 2022 in Oekraïne, heeft de Europese Unie verschillende sanctiepakketten tegen Rusland ingesteld. Onderdeel van het vierde sanctiepakket was het verbod op invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten. [8]
In deze verordening is onder meer artikel 3 octies ingevoegd. Dat artikel luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. Er geldt een verbod op:
a) de directe of indirecte invoer in de Unie van de in bijlage XVII vermelde ijzer- en staalproducten, als die:
i) van oorsprong zijn uit Rusland, of
ii) uit Rusland zijn uitgevoerd;
b) de directe of indirecte aankoop van de in bijlage XVII vermelde ijzer- en staalproducten, als die zich bevinden in of van oorsprong zijn uit Rusland;
(…)
2. De verbodsbepalingen van lid 1 zijn tot en met 17 juni 2022 niet van toepassing op de uitvoering van contracten die zijn afgesloten vóór 16 maart 2022, of van aanvullende contracten die nodig zijn voor de uitvoering van dergelijke contracten.”
12. De GN-onderverdelingen 7215 5019, 7215 5080 en 7228 5061 waren ten tijde van de onderhavige aangiften in bijlage XVII opgenomen.
Vrijwaringsmaatregelen
13. In 2019 heeft de Europese Unie voor bepaalde staalproducten definitieve vrijwaringsmaatregelen getroffen. Als geen beroep kan worden gedaan op een (landspecifiek) tariefcontingent, is een aanvullend recht van 25% van toepassing. De hoeveelheid van de tariefcontingenten wordt op kwartaalbasis vastgesteld. [9] Deze vrijwaringsmaatregelen zijn in 2021 verlengd tot en met 30 juni 2024. [10]
14. Tegelijkertijd met het invoerverbod van de Raad van onder andere bepaalde staalproducten, heeft de Commissie de vrijwaringsmaatregelen bij uitvoeringsverordening gewijzigd. [11] Deze verordening is op 16 maart 2022 gepubliceerd en op 17 maart 2022 in werking getreden. De wijzigingen zien op de periode vanaf 1 april 2022. In de preambule staat het volgende:

“1. ACHTERGROND

(1) Bij Verordening (EU) 2022/355 van de Raad (3) heeft de Europese Unie de invoer van staalproducten van oorsprong uit Belarus verboden.
(2) Bij Verordening (EU) 2022/428 van de Raad (4) heeft de Europese Unie de invoer van bepaalde staalproducten van oorsprong uit Rusland verboden (5).
(3) Als gevolg van deze maatregelen zullen producten uit Belarus en Rusland waarop de vrijwaringsmaatregel van toepassing is, niet langer in de Unie kunnen worden ingevoerd. De Commissie heeft derhalve besloten de werking van de vrijwaringsmaatregel aan te passen om ervoor te zorgen dat deze invoerverboden er niet toe leiden dat er op de markt van de Unie in de betrokken categorieën onvoldoende aanbod is, en dat staalgebruikers in de Unie de betrokken hoeveelheden uit andere bronnen kunnen blijven betrekken.
2. AANPASSING
(4) Voor elke productcategorie waarvoor Belarus en Rusland landspecifieke tariefcontingenten hadden, heeft de Commissie die hoeveelheden op basis van de meest recente beschikbare gegevens, namelijk hun aandeel in de totale invoer in 2021, evenredig herverdeeld over andere landen van uitvoer waarop de vrijwaringsmaatregel van toepassing is. Die gegevens zijn ook relevant om een toereikend aanbod van staalproducten op de markt van de Unie te waarborgen, aangezien Belarus en Rusland hun landspecifieke tariefcontingenten in 2021 grotendeels hebben uitgeput. Om het niveau van de totale invoer vast te stellen, heeft de Commissie geen rekening gehouden met de hoeveelheden uit Belarus en Rusland, noch met de invoer uit landen die momenteel van de maatregel zijn uitgesloten (6), aangezien de opname ervan het aandeel van alle andere landen zou verminderen, waardoor de maatregel ondoeltreffend zou worden.
(5) Deze aanpak waarborgt een eerlijke behandeling van de verschillende landen van oorsprong, waardoor staalgebruikers in de Unie doeltreffend gebruik kunnen maken van de hoeveelheden die oorspronkelijk deel uitmaakten van de landspecifieke tariefcontingenten van Belarus en Rusland, waardoor elk risico op een mogelijk ontoereikend aanbod op de markt van de Unie als gevolg van het invoerverbod voor deze twee landen wordt vermeden (…)”.
15. Op grond van artikel 120 van het DWU wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten om redenen van billijkheid terug betaald of kwijtgescholden indien een douaneschuld is ontstaan in bijzondere omstandigheden waarin de schuldenaar geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest.

Beoordeling door de rechtbank

Geldigheid Verordening (EU) nr. 2021/1029 (verlenging vrijwaringsmaatregelen)16. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij kennis heeft genomen van de uitspraak van het Hof van Justitie van 12 december 2024, C-722/23 P, Euranimi, ECLI:EU:C:2024:1025. Deze uitspraak geeft haar aanleiding tot het intrekken van haar beroepsgrond met betrekking tot de geldigheid van Verordening (EU) nr. 2021/1029. De rechtbank zal daarom niet meer over deze beroepsgrond oordelen.
Beoordelingsfout Verordening (EU) nr. 2022/434 (wijziging vrijwaringsmaatregelen)?17. Eiseres betoogt dat Verordening (EU) nr. 2022/434 ongeldig is. Op grond van een overgangsregeling ten aanzien van het invoerverbod kon staal met oorsprong Rusland, dat was gekocht voor 16 maart 2022, tot uiterlijk 17 juni 2022 worden ingevoerd. Volgens eiseres heeft de Commissie deze overgangsregeling met de intrekking van het landspecifieke tariefcontingent voor Rusland niet onderkend. Dit blijkt onder meer uit overweging (3) in de Preambule van deze Verordening, waarin staat: “als gevolg van deze maatregelen zullen producten uit (…) Rusland waarop de vrijwaringsmaatregel van toepassing is, niet langer in de Unie kunnen worden ingevoerd.” Aangezien geen rekening is gehouden met de overgangsregeling, is volgens eiseres sprake van een kennelijke beoordelingsfout bij de beslissing om het landspecifieke tariefcontingent voor Rusland in te trekken.
18. De rechtbank volgt eiseres niet in haar interpretatie van de preambule in die zin dat de Commissie zou zijn uitgegaan van een absoluut invoerverbod zonder overgangsbepaling. De preambule motiveert dat de vrijwaringsmaatregel (het landspecifieke tariefcontingent voor Rusland) wordt ingetrokken naar aanleiding van de getroffen sanctiemaatregel (het invoerverbod vanuit Rusland) en benoemt met welke factoren daarbij rekening is gehouden. Overweging (2) verwijst zonder restrictie naar het invoerverbod van Verordening (EU) 2022/428 (zie onder 14.). Deze verwijzing zondert de overgangsregeling uit Verordening (EU) 2022/428 dus niet uit. Het in aanmerking nemen van de overgangsregelingen is ook in overeenstemming met het belang van de Europese Unie dat wordt genoemd in de preambule (onder 3): zorgen dat de invoerverboden niet leiden tot onvoldoende aanbod van staal op de markt van de Europese Unie. Dit doel wordt gediend met de overgangsregeling waarmee onder voorwaarden nog wel enige tijd (namelijk tot en met 31 maart 2022) staal met oorsprong Rusland binnen het Russische tariefcontingent kon worden ingevoerd en dit doel wordt ook gediend met de overgangsregeling dat van 1 april 2022 tot 17 juni 2022 marktdeelnemers die handelden in Russisch staal onder voorwaarden gebruik konden maken van het contingent voor ‘andere landen’.
19. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om over Verordening (EU) nr. 2022/434 prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
Recht op terugbetaling?20. Eiseres stelt dat zij recht heeft op terugbetaling op grond van artikel 120 van het DWU. De douaneschulden zijn ontstaan in bijzondere omstandigheden, waarin zij geen bedrog heeft gepleegd noch kennelijk nalatig is geweest.
21. Naar het oordeel van de rechtbank is in de voorliggende situatie geen sprake van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan eiseres recht op terugbetaling heeft.
21.1
Eiseres betoogt dat sprake was van een plotselinge instelling van het invoerverbod en de daarop gebaseerde intrekking van het landspecifieke tariefcontingent voor staalproducten van oorsprong uit Rusland. Het invoerverbod heeft echter een voorgeschiedenis. Vanaf 2014, toen Rusland de Krim heeft bezet, heeft de Europese Unie sanctiemaatregelen tegen Rusland getroffen. Deze zijn ieder jaar verlengd. Naar aanleiding van de militaire opbouw van Rusland langs de grens met Oekraïne vanaf eind 2021, en de militaire operatie in februari 2022, heeft de Europese Unie wederom verschillende sancties tegen Rusland ingesteld. Onderdeel van het vierde sanctiepakket op 15 maart 2022 was het invoerverbod van bepaalde staalproducten. Er is dus geen sprake geweest van een plotselinge instelling van een invoerverbod. Eiseres heeft er zelf voor gekozen om staalproducten van oorsprong uit Rusland in te voeren. Het lag op de weg van eiseres zich te verdiepen in de politieke situatie met Rusland, omdat deze een handelsrisico kan betekenen. Zij aanvaardt dit handelsrisico als zij, met gebruikmaking van een landspecifiek tariefcontingent, goederen uit een land invoert dat verwikkeld was en is in een politiek gevoelige situatie waarbij de Europese Unie sinds 2014 noodzaak zag tot het treffen van diverse maatregelen.
21.2
Eiseres betoogt dat voor haar een aanzienlijk nadeel is ontstaan in vergelijking met andere marktdeelnemers die wél gebruik konden maken van een landspecifiek tariefcontingent. Zij kon, na opheffing van het landspecifiek tariefcontingent voor Russisch staal, alleen nog het tariefcontingent voor ‘andere landen’ gebruiken, dat qua hoeveelheid veel kleiner was en ook werd gebruikt voor producten uit andere landen dan Rusland waarvoor evenmin een landspecifiek tariefcontingent gold. De uitputting van het tariefcontingent ‘andere landen’ is naar het oordeel van de rechtbank een handelsrisico dat geldt voor elke marktdeelnemer die gebruik wil maken van dit tariefcontingent. Eiseres onderscheidt zich in zoverre niet van andere marktdeelnemers. Voor zover eiseres betoogt dat haar positie vergeleken moet worden met die van marktdeelnemers die staalproducten invoeren van oorsprong uit landen waarvoor (nog steeds) landspecifieke tariefcontingenten gelden, miskent zij dat handelspolitieke maatregelen bij uitstek georiënteerd zijn op specifieke landen. Dit betoog kan niet slagen.
21.3
Verder heeft verweerder er tijdens de zitting op gewezen dat in de door eiseres met de Russische ondernemingen gesloten overeenkomsten steeds een bepaling is opgenomen met daarin een opsomming van situaties waarin eiseres haar contractuele verplichtingen mag opschorten of beëindigen. Dit betreft ‘
any force majeure circumstances’. Deze zijn in het contract van 6 augustus 2021 omschreven als:
being (…) as well as a war, military operations of any kind, (…) or any other substantial decisions of the governmental authorities beyond the control of the relevant party). In het contract van 15 oktober 2021 als:
war, military operations directly affecting production and transportation, blockade or prohibition of export or import, (…) government actions.Eiseres heeft daarop verklaard dat zij van deze bepaling gebruik heeft gemaakt en dat meerdere overeenkomsten zijn ontbonden. Bij de goederen van de twee onderhavige aangiften heeft eiseres om haar moverende reden geen gebruik gemaakt van de betreffende bepaling. Het risico dat eiseres hierbij loopt, dient voor haar rekening te blijven en is geen bijzondere omstandigheid.
21.4
Eiseres onderbouwt haar standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden ook met verwijzing naar punten 25. en 26. van het document van de Commissie over de toepassing van Verordening (EU) nr. 833/2014. Deze punten hebben naar het oordeel van de rechtbank betrekking op een andere situatie. Het gaat in die punten niet om de samenloop van een sanctiemaatregel met een vrijwaringsmaatregel, maar om bepaalde DWU-termijnen die in verband met de sanctiemaatregelen niet haalbaar blijken. Het betoog van eiseres dat in die punten omstandigheden als ‘uitzonderlijk’ worden beschreven, en dat in haar situatie dus ook sprake is van bijzondere omstandigheden, slaagt daarom niet.
21.5
Eiseres beroept zich op overweging 6 van de Verordening (EU) nr. 2022/434 waarin omstandigheden als ‘uitzonderlijk’ worden beschreven en stelt dat hiermee vast staat dat de omstandigheden bijzonder zijn in de zin van artikel 120 van het DWU. De rechtbank volgt verweerder echter in zijn standpunt dat deze genoemde ‘huidige uitzonderlijke omstandigheden’ niet gaan over uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 120 van het DWU, maar over de zorg van de Commissie voor een toereikend aanbod van staal op de markt van de Europese Unie vanwege het door de oorlog in Oekraïne wegvallen van aanbod uit zowel Belarus als Rusland.
21.6
Eiseres haalt, ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheid, beschikking REM 17/92 van de Commissie aan. Deze beschikking heeft naar het oordeel van de rechtbank betrekking op een andere situatie, namelijk op de bewerking in Joegoslavië van goederen uit de Europese Gemeenschap en de regeling passieve veredeling. Vanwege het preferentiële tarief dat onder de werking van de oorsprongsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Joegoslavië voor de bewerkte goederen gold, had de belanghebbende geen reden om de goederen onder de douaneregeling passieve veredeling uit te voeren. Door de plotselinge opzegging van de oorsprongsovereenkomst kwam de belanghebbende in de bijzondere situatie terecht dat hij douanerechten verschuldigd was over goederen waarvoor hij op het moment van uitvoer geen aanleiding had ze onder de douaneregeling passieve veredeling te brengen. Op het moment van uitvoer waren de politieke ontwikkeling en bijkomende gevolgen nog niet voorzienbaar. Dat is anders in de situatie van eiseres. Op het moment dat zij de goederen in het vrije verkeer bracht was het invoerverbod al ingesteld en het landspecifieke tariefcontingent voor goederen van oorsprong uit Rusland ingetrokken.
22. Het is de rechtbank niet gebleken dat de in het verzoek aangevoerde omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van een andere wettelijke grondslag voor terugbetaling dan door eiseres genoemd (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1343 en de uitspraak van deze rechtbank van 21 februari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:4922).

Conclusie en gevolgen

23. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. W.M.C. Schipper en mr. P.E.A. Chao, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van Verordening (EU) nr. 2022/428 waarbij artikel 3 octies is ingevoegd in Verordening (EU) nr. 833/2014.
2.Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 van de Commissie van 24 juni 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie teneinde de vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten te verlengen, Publicatieblad van de EU LI 225/1.
3.Uitvoeringsverordening (EU) 2022/434 van de Commissie van 15 maart 2022
4.Verordening (EU) 2022/428 van de Raad van 15 maart 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, Publicatieblad van de EU LI 87/13.
5.Consolidated version of the frequently asked questions concerning sanctions adopted following Russia’s military aggression against Ukraine and Belarus’ involvement in it.
6.Besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, Publicatieblad van de EU L 229/13.
7.Verordening (EU) Nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, Publicatieblad van de EU L 229/1.
8.Verordening (EU) 2022/428 van de Raad van 15 maart 2022 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, Publicatieblad van de EU LI 87/13.
9.Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie van 31 januari 2019 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten, Publicatieblad van de EU L 31/27.
10.Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 van de Commissie van 24 juni 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie teneinde de vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten te verlengen, Publicatieblad van de EU LI 225/1.
11.Uitvoeringsverordening (EU) 2022/434 van de Commissie van 15 maart 2022