Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2025:12128

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
HAA 25/3841
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:119 AwbWet open overheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet tijdig beslissen minister op Woo-verzoek over conceptnotitie noodrecht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) over een conceptnotitie noodrecht. De rechtbank had eerder op 4 juli 2025 de minister opgedragen uiterlijk 1 september 2025 een besluit te nemen, maar de minister heeft niet tijdig beslist. Eiser stelde daarom een herhaald beroep in op 2 september 2025.

De minister voerde aan dat het beroep te vroeg was ingediend omdat de dwangsomtermijn nog niet was verstreken, maar de rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk is op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. De minister gaf aan dat de beoordeling van de omvangrijke documentencomplexiteit veel tijd kost en verzocht af te zien van een dwangsom.

De rechtbank constateert dat de minister inschattingsfouten heeft gemaakt en hoewel hij gehouden is rechterlijke uitspraken na te leven, is hier sprake van een bijzonder geval vanwege de omvang en complexiteit van de Woo-verzoeken na de coronapandemie. Er is geen verwijtbaar stilzitten gebleken. Daarom legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn op tot 20 januari 2026 met een dwangsom van €100 per dag, maximaal €15.000. Tevens moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitkomst: De minister moet uiterlijk 20 januari 2026 een besluit nemen met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding en het griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3841
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van 28 januari 2025 over het onderwerp conceptnotitie noodrecht.
1.1.
Bij uitspraak van 4 juli 2025 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen uiterlijk 1 september 2025 een besluit te nemen op het Woo-verzoek (HAA 25/1784).
1.2.
Op 2 september 2025 heeft eiser een herhaald beroep (HAA 25/3841) ingesteld wegen het niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek.
1.3.
De minister heeft een verweerschrift en op de procedure betrekking hebben stukken ingediend.
1.4.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 juli 2025 de minister een termijn gegeven tot 1 september 2025 met daaraan gekoppeld een rechterlijke dwangsom.
3. De rechtbank stelt vast dat de bij uitspraak van 4 juli 2025 opgedragen termijn is verstreken. Op de datum van het instellen van het onderhavige beroep, te weten 2 september 2025, was de maximale rechterlijke dwangsom nog niet volgelopen. Tot op heden heeft de minister nog steeds niet (volledig) beslist op het verzoek van eiser. Het beroep is daarom gegrond.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de eerdergenoemde dwangsomtermijn op 2 september 2025 nog niet was volgelopen tot 42 dagen. De minister verzoekt de rechtbank dan ook het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, omdat eiser het beroep te vroeg heeft ingediend.
5. De Afdeling heeft bij uitspraak van 27 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4865) bepaald dat bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen nog steeds procesbelang bestaat als op het moment van het indienen van het opvolgende beroep de rechterlijke dwangsom van het voorgaande beroep nog niet volledig was volgelopen. Dat betekent dat een opvolgend beroep, ingediend op het moment dat de rechterlijke dwangsom uit het voorgaande beroep nog niet volledig was volgelopen, toch ontvankelijk is. Gelet hierop is in de onderhavige zaak toch sprake van een ontvankelijk opvolgend beroep.
6. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
7. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In het tweede lid is neergelegd dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een ander termijn geven of een andere voorziening treffen.
8. Eiser stelt in zijn beroepschrift dat de door de rechtbank opgelegde verlaagde dwangsom geen enkele prikkel heeft veroorzaakt en verzoek daarom, vanwege de gebleken onwil bij de minister, een verhoogde dwangsom op te leggen
9. De minister bevestigt in het verweerschrift dat er nog niet op het verzoek van eiser is beslist. De inventarisatie van documenten heeft een langere tijd in beslag genomen. Deze inventarisatie heeft veel documenten opgeleverd maar de beoordeling ervan is complex gebleken. Er zijn verschillende medewerkers bezig met de beoordeling en het lakken van de documenten. Dit zal echter nog geruime tijd in beslag nemen. Daarnaast moet afstemming hierover plaatsvinden, en zal een zienswijzeprocedure moeten worden gevolgd. Vervolgens dient het besluit op het verzoek een interne accorderingsprocedure te doorlopen, hetgeen eveneens tijd vergt. Er zal nog een geruime tijd gemoeid zijn met de beoordeling van de documenten en de verdere afhandeling van het verzoek. De minister verzoekt af te zien van het opleggen van een dwangsom.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
10. De rechtbank heeft nog geen besluit ontvangen en komt tot het volgende oordeel. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak HAA 25/1784 heeft de rechtbank het verzoek om maatwerk al beoordeeld. Dat heeft, mede door mededelingen van de minister geleid tot voornoemde beslistermijn. De minister is niet in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van 4 juli 2025. Ook heeft de minister niet om herziening van de in die uitspraak gegeven beslistermijn gevraagd op grond van artikel 8:119 van Pro de Awb. De redelijkheid van de gegeven termijnen staat daarmee in beginsel in rechte vast.
11. De rechtbank stelt vast dat de minister inschattingsfouten heeft gemaakt over de termijn die hij nodig heeft voor het openbaar maken van de gevraagde documenten.
12. Hoewel de minister gehouden is rechterlijke uitspraken na te leven is in dit geval sprake van een bijzonder geval. De rechtbank neemt aan dat deze omvangrijke en bewerkelijke verzoeken een extreem lastige opgave opleveren in het kader van de Woo. Bovendien is de minister niet eerder geconfronteerd met zoveel Woo-opdrachten als na de coronapandemie. En hoewel het aan de wetgever is de wetgeving in lijn te brengen met de praktijk, geldt in dit geval ook dat de rechtspraak met de praktijk moet kunnen meebewegen. De rechtbank is niet gebleken van een verwijtbaar stilzitten door de minister bij beoordeling van onderhavig verzoek.
13. Op grond van voorgaande zal de rechtbank een nadere termijn opleggen. De rechtbank stelt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan alsnog een besluit bekendmaakt op 20 januari 2026. Omdat de rechtbank wel nut ziet van een financiële prikkel verbindt zij aan die termijn een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van
€ 15.000,00.
14. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheid van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling dan wel vergoeding van griffierecht.
15. Van proceskosten is niet gebleken.
16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op 20 januari 2026 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,00 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00 ;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,00 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van
L. van den Brink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.