ECLI:NL:RBNHO:2025:12132

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/368583 / JU RK 25-1136
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige in het kader van gezinsbescherming

Op 3 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, uitspraak gedaan in de zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [de minderjarige 1]. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd tot 15 oktober 2026, na een zorgvuldige afweging van de feiten en omstandigheden. De zaak betreft de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, die het verzoek tot verlenging heeft ingediend. De ouders van [de minderjarige 1] zijn in een conflict verwikkeld, wat leidt tot een verstoorde communicatie en een loyaliteitsconflict voor de minderjarige. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ontwikkeling van [de minderjarige 1] ernstig wordt bedreigd door de verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Ondanks dat er geen zorgen zijn over de thuissituatie bij de moeder, zijn er blijvende zorgen over de omgang met de vader en de diabeteszorg van [de minderjarige 1]. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling noodzakelijk geacht om de situatie te stabiliseren en de ontwikkeling van [de minderjarige 1] te waarborgen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct van kracht is, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/368583 / JU RK 25-1136
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,
hierna te noemen de GI,
gevestigd in Amsterdam,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. F. Pool, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 augustus 2025;
  • de brief van de zijde van de vader, met producties 1 tot en met 9, ontvangen op
1 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 13 juli 2023 is het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige 1] beëindigd. Sindsdien komt het gezag over [de minderjarige 2] eenhoofdig aan de moeder toe. Voornoemde beslissing is bekrachtigd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 december 2023.
2.2.
[de minderjarige 1] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2024 [de minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 15 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek als volgt toegelicht. In het verleden is met het traject Solo Parallel Ouderschap geprobeerd de onderlinge communicatie tussen de ouders te verbeteren. Dit traject is echter gestagneerd. De ouders hebben momenteel geen dan wel sporadisch contact met elkaar. Zij hebben nog weinig vertrouwen in elkaar. De GI is echter van mening dat hierin het hoogst haalbare is bereikt. Ondanks dat geen zorgen zijn over de thuissituatie bij de moeder en de algemene ontwikkeling en opvoeding van [de minderjarige 1] , ziet de GI nog wel zorgen rondom het contact met de vader. Tijdens de omgangsmomenten tussen [de minderjarige 1] en de vader, die nog steeds begeleid worden, lijkt hij haar nog steeds geen emotionele toestemming te geven om over de moeder te praten. [de minderjarige 1] lijkt hierdoor in een loyaliteitsconflict te komen. Ook zijn blijvend zorgen rondom de diabeteszorg van [de minderjarige 1] , wanneer de vader de zorg voor haar heeft.
De GI wil de komende periode onderzoeken of de omgangsbegeleiding voldoende aansluit bij de huidige situatie. De GI heeft naar verwachting meerdere maanden nodig om hier geschikte hulpverlening voor te zoeken. In de tussentijd is voortzetting van de huidige omgangsbegeleiding nodig.
3.3.
Namens de GI is hieraan toegevoegd dat de ondertoezichtstelling toegevoegde waarde heeft; zowel voor bemiddeling tussen de ouders als het aanspreken van de vader. Er is een prille positieve ontwikkeling merkbaar waarin de vader steeds beter aanspreekbaar is en hij ook meer om advies vraagt. Een overdracht naar het vrijwillig kader is op dit moment nog niet mogelijk, omdat het de ouders niet lukt om respectvol met elkaar te communiceren in het belang van [de minderjarige 1] . Met een nieuwe omgangsbegeleider die strikt op de gestelde doelen handelt, hoopt de GI dat de omgang beter gaat, toegewerkt kan worden naar onbegeleide omgang en de ondertoezichtstelling op termijn afgesloten kan worden.

4.De standpunten

4.1.
De moeder heeft zich ter zitting akkoord verklaard met het verzoek. Zij heeft de ondertoezichtstelling in het afgelopen jaar als helpend ervaren, omdat de omgang wisselend verliep. Dat is opgepakt door de GI. De samenwerking met de vader is niet goed. De moeder vraagt zich wel af waar naartoe gewerkt gaat worden. Zij vindt begeleide omgang op dit moment nog nodig en zij vindt zichzelf niet de juiste persoon om de rol van de jeugdbeschermer in het kader van de omgang op zich te nemen.
4.2.
Door en namens de vader is ter zitting naar voren gebracht dat hij ook achter een verlenging van de ondertoezichtstelling staat, hoewel hij nu ziet dat er niet veel gebeurt. De omgang gaat op zich goed, maar de vader zou een wat meer gestructureerde omgang willen. Hij zou graag zien dat de GI waarborgt dat de omgang door blijft gaan en dat het ook een betekenisvolle omgang is. De vader is van mening dat daar nu geen sprake van is; hij ervaart dat de situatie na mei 2023 – toen het gezamenlijk gezag aan de orde werd gesteld – negatief is veranderd. Gelet daarop heeft de vader oudere stukken ingediend waaruit blijkt dat de situatie daarvoor volstrekt anders was. Het grootste probleem is de dynamiek tussen de ouders. De communicatie tussen de ouders is het meest voorliggende probleem, maar daar wordt niets mee gedaan. De vader zou dan ook graag zien dat verandering komt in de uitvoering van de ondertoezichtstelling, dat daarnaast wordt gekeken naar de thuissituatie bij de moeder en aandacht is voor het mogelijke loyaliteitsconflict waar [de minderjarige 1] naartoe drijft.

5.De mening van de minderjarige

[de minderjarige 1] heeft aan de kinderrechter verteld dat zij de omgangsmomenten met de vader nu erg leuk en fijn vindt, omdat de vader nu leuke dingen met haar doet. [de minderjarige 1] zou wel graag willen dat de vader geen negatieve dingen over de moeder en die kant van de familie aan haar vertelt; daar heeft zij last van.

6.De beoordeling

6.1.
De ouders hebben samen drie kinderen. [de minderjarige 2] , de oudste van vijftien jaar, woont bij de moeder en heeft geen contact met de vader, omdat zij dat niet wil. Tijdens de zitting heeft GI aangegeven dat de Raad akkoord is met het afsluiten van haar ondertoezichtstelling. [de minderjarige 3] , de middelste van twaalf jaar woont bij de vader en heeft omgang met de moeder. [de minderjarige 1] , de jongste van negen jaar, woont bij haar moeder en heeft begeleide omgang met haar vader. Op haar ziet deze procedure.
6.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling voor [de minderjarige 1] is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.3.
De ontwikkeling van [de minderjarige 1] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat tussen de ouders sprake is van een ernstig verstoorde verstandhouding. Zij zijn niet in staat met elkaar op een respectvolle en constructieve manier over [de minderjarige 1] te overleggen. [de minderjarige 1] lijkt in een loyaliteitsconflict terecht te komen. De vader vindt dat de oorzaak daarvan gezocht moet worden in het gezinssysteem van de moeder. De kinderrechter constateert echter dat uit de stukken blijkt dat [de minderjarige 1] nog steeds geen volledige emotionele toestemming lijkt te krijgen van de vader om over haar moeder te praten. Ook geeft [de minderjarige 1] zelf aan dat de vader nog steeds negatief over de moeder en haar familie praat. Het is dan ook aan de vader om ervoor te zorgen dat [de minderjarige 1] hierdoor geen loyaliteitsconflict ervaart, door tijdens de omgangsmomenten ruimte te bieden aan [de minderjarige 1] en zich simpelweg niet meer (negatief) uit te laten over de moeder en haar familie. De vader dient zich te realiseren dat als [de minderjarige 1] zich niet door hem gehoord voelt, het risico groot is dat de omgang voor [de minderjarige 1] op een gegeven moment te belastend wordt. De kinderrechter stelt daarnaast vast dat [de minderjarige 1] de enige thuis is die omgang heeft met de vader. Dat kan voor haar geen makkelijke positie zijn. Het komt de kinderrechter dan ook als logisch voor dat zij het contact met de vader ook om die reden soms ingewikkeld vindt. Het is ook aan de vader om dat in te zien en daar rekening mee te houden. Verder blijven zorgen bestaan over de aanpak van de vader ten aanzien van de diabeteszorg van [de minderjarige 1] . De kinderrechter ziet dat de vader inzet toont in hoe hij zich het beste kan verhouden tijdens de omgangsmomenten, maar zoals ter zitting is gebleken vindt hij het lastig om zich te uiten. De GI heeft overigens op de zitting aangegeven dat zij voornemens is te onderzoeken of een andere omgangsbegeleider wellicht passender is, ook om de vader meer aan de hand te nemen en zodat stevig(er) kan worden ingegrepen als dat nodig is.
6.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het gelet op de verstoorde verstandhouding tussen de ouders voor de moeder niet mogelijk is om op een objectieve manier te bepalen of en zo ja welke vorm van omgang met de vader in het belang van [de minderjarige 1] is. Hoewel de ondertoezichtstelling pas een jaar loopt, zijn in de afgelopen jaren meerdere hulpverleningstrajecten ingezet, waarbij ook is geprobeerd de onderlinge communicatie tussen de ouders te verbeteren. De GI is van mening dat hierin het hoogst haalbare is bereikt. De kinderrechter is daarom van oordeel dat gekeken moet worden hoe [de minderjarige 1] deze complexe situatie, waarin zij de enige in het huishouden van de moeder is die omgang heeft met de vader, het beste kan dragen en of de omgang op een voor haar passende en veilige manier kan worden opgebouwd. [de minderjarige 1] is nog maar negen jaar en heeft veel met haar ouders meegemaakt. Het is prijzenswaardig hoe goed zij zich onder deze omstandigheden staande houdt. Stevige regie door de GI, waarbij telkens goed wordt gekeken naar de draagkracht van [de minderjarige 1] , wordt door de kinderrechter noodzakelijk geacht, zodat structuur wordt aangebracht in de omgang, gekeken wordt naar de verhoudingen in het gezin en de omgangsbegeleiding afgebouwd kan worden.
6.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] voor de duur van een jaar.
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige 1]tot 15 oktober 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025 door
mr. A.K. Mireku, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. Boon als griffier, en op schrift gesteld op 17 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.