6.3.Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op 31 maart 2025 schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. Zij is samen met twee anderen met de auto naar [plaats] gekomen, een van de medeverdachten is in de auto gebleven. De verdachte is degene geweest die de winkel in is gegaan. Nadat de verdachte de telefoon die zij wilde stelen in handen kreeg en wegrende, is een worsteling ontstaan met de winkelmedewerker, slachtoffer [benadeelde partij 3] . De medeverdachte (haar ex-vriend) is haar toen (nadat de verdachte hem riep) te hulp geschoten en heeft het slachtoffer met vuisten geslagen tegen zijn hoofd. Toen een omstander (slachtoffer [benadeelde partij 1] ) probeerde te helpen, is ook zij geslagen door de medeverdachte. Door haar handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendommen en inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De verdachte was weliswaar – zoals haar raadsman naar voren brengt – niet de agressor, maar met haar handelen heeft zij wel significant bijgedragen aan het gepleegde geweld tegen de slachtoffers. Zij was immers niet alleen degene die de telefoon heeft proberen te stelen, maar heeft ook haar ex-vriend te hulp geroepen waarbij zij had kunnen weten dat hij geweld zou gebruiken om haar “te helpen”. Tijdens het geweld dat zowel binnen als buiten de winkel plaatsvond en gericht was op twee slachtoffers, heeft zij verder niet ingegrepen. De gevolgen van dit soort gebeurtenissen zijn in het algemeen heftig voor de slachtoffers. De impact op hun gewone leven en gevoel van veiligheid is groot. Zo heeft slachtoffer [benadeelde partij 1] in haar vordering van de benadeelde partij naar voren gebracht dat zij met name in de eerste week last heeft gehad van nachtmerries, nog steeds liever niet in de desbetreffende winkelstraat komt en dat het zien van de winkel of de medewerker die zij te hulp schoot, haar spanning geeft.
Daarnaast heeft de verdachte zich op 20 juni 2025 schuldig gemaakt aan opzetheling van een scooter. Dit is een hinderlijk feit, waarbij de verdachte zich niet heeft bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 4 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 22 september 2025 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd van 12 september 2025 van [reclasseringsmedewerker] , als reclasseringsmedewerker verbonden aan de Reclassering (GGZ Fivoor).
De Raad heeft in haar rapport van 22 september 2025 geadviseerd om de verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke werkstraf. De Raad heeft daarbij aangegeven dat de verdachte een kwetsbaar meisje is en dat dat in combinatie met haar mogelijke persoonlijke- en gedragsproblemen ervoor zorgt dat de kans op herhaling aanwezig is. De verdachte is gemotiveerd om haar leven op de rit te krijgen. Zij werkt goed mee aan de begeleiding van de Jeugdreclassering en aan de onderzoeken van de Raad. Als bijzondere voorwaarden worden geadviseerd dat de verdachte:
- goed bereikbaar is voor de jeugdreclassering en zich als dat nodig wordt geacht op bepaalde tijdstippen meldt bij de jeugdreclassering;
- op de woongroep van [stichting] verblijft en dat zij zich hier houdt aan de regels;
- meewerkt aan het vinden en behouden van een structurele dagbesteding (werk of iets anders);
- meewerkt aan diagnostisch onderzoek en (daaruit voortkomende) benodigde behandeling/hulpverlening en
- zicht geeft op haar relatie/contact met de medeverdachte van onderhavige delict.
Op de zitting heeft de Raad aangegeven op dit moment geen meerwaarde te zien in de bijzondere voorwaarde van inzicht geven in haar relatie/contact met de medeverdachte [medeverdachte] , omdat de relatie recentelijk is beëindigd. De Raad acht het wel van belang dat een bijzondere voorwaarde wordt opgelegd in die zin dat de verdachte zicht geeft op haar relaties/contacten in het algemeen, omdat daar – mede gelet op haar kwetsbaarheid – zorgen over zijn. Verder acht de Raad een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] noodzakelijk.
Vanwege de schorsing van de voorlopige hechtenis van 2 juli 2025 is de Jeugdreclassering bij de verdachte betrokken geraakt. In het rapport van 12 september 2025 heeft de Jeugdreclassering daarover de volgende informatie gegeven. Hoewel het in het begin goed leek te gaan, zijn er de afgelopen weken ontwikkelingen geweest waar de Jeugdreclassering zich zorgen om maakt. De verdachte is een aantal keren weggegaan van [stichting] , waarbij zij niet of minder goed in contact is geweest met de Jeugdreclassering. Zij lijkt dan te verblijven bij een voor haar oudere man, die zij een vriend noemt, en die haar een fatbike heeft gegeven en ’s nachts stennis heeft geschopt bij [stichting] . Gelet op de enorme kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van de verdachte maakt de Jeugdreclassering zich grote zorgen om dit contact. Hoewel de verdachte door de Jeugdreclassering is aangemeld voor diagnostisch onderzoek, is verder nog niet bekend wanneer dit onderzoek kan starten.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog in aanmerking genomen dat zij de feiten onder invloed van de medeverdachte (haar ex-vriend) lijkt te hebben gepleegd. Daarnaast heeft zij op de zitting oprecht spijt betuigd.
Toepassing jeugdstrafrecht in de zaak onder parketnummer 15/208266-25
De verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde feit onder parketnummer 15/208266-25, op 20 juni 2025, [leeftijd] oud. Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben verzocht conform artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) het sanctierecht voor jeugdigen toe te passen.
De rechtbank kan op grond van artikel 77c Sr, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, het sanctierecht voor jeugdigen toepassen bij een verdachte die ouder is dan 18 jaar en niet ouder is dan 23 jaar, zoals de verdachte.
De opsteller van het GGZ Fivoor reclasseringsrapport heeft geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen in de zaak onder parketnummer 15/208266-25. Er lijkt bij de verdachte sprake te zijn van een beperkte ontwikkeling. Daarnaast heeft zij moeite met het inschatten van risico’s, zijn er aanwijzingen voor beïnvloedbaarheid en lijkt zij in mindere mate in staat haar eigen gedrag te organiseren. Er wordt gezien dat de verdachte open staat voor hulp van andere volwassenen zoals de jeugdreclasseerder en de begeleiding van [stichting] . Binnen de huidige setting is aandacht voor het beschermen van de verdachte tegen negatieve beïnvloeding door andere jeugdigen. Tenslotte is er op dit moment sprake van een (goed) lopend traject bij de jeugdreclassering dat een kans moet krijgen om te slagen zodat de verdachte kan groeien in haar volwassenheid, aldus nog steeds de Jeugdreclassering.
De rechtbank ziet, op basis van voornoemd rapport, in de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen in de zaak onder parketnummer 15/208266-25.
De straf
Werkstraf
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten 60 uren, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Gelet op de in de rapportages en op de zitting geschetste zorgen acht de rechtbank het noodzakelijk dat begeleiding en eventueel behandeling in een strak kader zoals voorgesteld door de Raad en de Jeugdreclassering zal worden opgelegd aan de verdachte.
De geadviseerde voorwaarden zullen dan ook aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. De verdachte heeft zich op de zitting bereid verklaard om zich te houden aan de bijzondere voorwaarden. De rechtbank bepaalt dat toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden door de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te [plaats] wordt uitgevoerd.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de straf die de rechtbank aan de verdachte zal opleggen, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 15/140532-25 opheffen.