ECLI:NL:RBNHO:2025:12426

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
15/140532-25 en 15/208266-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafrecht: Vrijspraak voor diefstal en veroordeling wegens poging tot diefstal met geweld en opzetheling

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Noord-Holland op 15 oktober 2025, zijn twee parketnummers aan de orde: 15/140532-25 en 15/208266-25. De verdachte, een 18-jarige, werd vrijgesproken van de diefstal van een scooter, maar veroordeeld voor poging tot diefstal met geweld en opzetheling. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet wettig en overtuigend schuldig was aan de diefstal van de scooter, maar dat zij wel betrokken was bij de poging tot diefstal van een telefoon, waarbij geweld werd gebruikt tegen twee slachtoffers. De rechtbank legde een werkstraf op van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De vordering van benadeelde partij 1 werd toegewezen, terwijl de vordering van benadeelde partij 2 niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van een voldoende verband tussen de schade en de bewezenverklaarde opzetheling. De rechtbank paste het jeugdstrafrecht toe, gezien de leeftijd van de verdachte en haar kwetsbare situatie. De uitspraak benadrukt de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers, evenals de noodzaak van begeleiding voor de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15/140532-25 en 15/208266-25 (ttz. gev.) (P)
Uitspraakdatum: 15 oktober 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 1 oktober 2025 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
[adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[de OvJ] en van wat de verdachte en haar raadsman, mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
Op de zitting is verder het woord gevoerd door [vertegenwoordiger van de raad] van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de Raad) en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] van de Jeugdreclassering (verder te noemen: de Jeugdreclassering).
De rechtbank heeft ook kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van parketnummer 15/140532-25
zij, op of omstreeks 31 maart 2025 te Purmerend tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om een telefoon ( [merk] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen met voornoemde telefoon naar de uitgang van voornoemde winkel is gerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [benadeelde partij 3] meermalen op/tegen het hoofd te slaan en/of stompen en/of
- die [benadeelde partij 1] op/tegen de schouder te slaan en/of duwen;
Ten aanzien van parketnummer 15/208266-25
Primair
zij, op of omstreeks 20 juni 2025 te Haarlem een scooter ( [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Subsidiair
zij op of omstreeks 20 juni 2025 te Haarlem, een scooter, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder parketnummer 15/208266-25 primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder parketnummers 15/140532-25 en 15/208266-25 subsidiair ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van parketnummer 15/140532-25 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor wat betreft parketnummer 15/208266-25 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De verdachte is niet degene die de scooter heeft gestolen, zodat de primair ten laste gelegde diefstal niet kan worden bewezen. Hoewel de verdachte wist dat de scooter was gestolen toen zij achterop stapte, maakt dat niet dat zij de scooter heeft verworven of voorhanden heeft gehad, zodat ook de subsidiair ten laste gelegde heling niet kan worden bewezen, aldus de raadsman.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak
Ten aanzien van parketnummer 15/208266-25, primair
De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De rechtbank gaat uit van de verklaring die de verdachte ter zitting heeft afgelegd nu zij deze verklaring, mede gelet op de overige inhoud van het dossier, betrouwbaar acht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een scooter op 20 juni 2025 in Haarlem. De verdachte zal daarom van het ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Ten aanzien van parketnummer 15/208266-25, subsidiair
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de scooter heeft verworven of voorhanden heeft gehad.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De verdachte heeft op de zitting aangegeven dat zij met haar inmiddels ex-vriend ter plaatse aanwezig was. De verdachte wist dat haar ex-vriend een scooter wilde stelen. Haar ex-vriend ziet een scooter staan, loopt er naartoe en haalt met kracht het stuurslot van de scooter af. De verdachte is er constant bij, dus ook bij het daadwerkelijk stelen van de scooter. Vervolgens stapt de verdachte bij haar ex-vriend achterop de zojuist gestolen scooter en rijden zij naar [plaats] .
De rechtbank is van oordeel dat door achterop te springen op een door haar ex-vriend gestolen en bestuurde scooter, de verdachte die scooter als vervoermiddel heeft gebruikt en aldus voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 416 Sr. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een scooter.
3.3.3.
De bewijsmiddelen
Ten aanzien van parketnummer 15/140532-25
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen (artikel 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv)), te weten:
  • de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 oktober 2025 ;
  • een proces-verbaal van aangifte gedaan door [benadeelde partij 3] d.d. 31 maart 2025
  • een proces-verbaal van aangifte gedaan door [benadeelde partij 1] d.d. 3 april 2025
Ten aanzien van parketnummer 15/208266-25, subsidiair
-
De verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 1 oktober 2025 , inhoudende:
Ik wist dat [persoon] de scooter ging stelen, zodat we er samen mee naar [plaats] konden rijden en ik was erbij toen de scooter door hem werd gestolen. [persoon] heeft het stuurslot eraf gehaald. Ik heb daarna bij [persoon] achterop de gestolen scooter gezeten om naar [plaats] te rijden.
-
Een proces-verbaal van aangifte gedaan door [benadeelde partij 2] d.d. 20 juni 2025(p. 6 t/m 8):
Plaats delict: Haarlem.
Op vrijdag 20 juni 2025 omstreeks 13.00 heb ik mijn scooter met kenteken [kenteken] neergezet bij [plaats] winkelcentrum. Ik had mijn scooter op slot gezet, ook op het stuurslot. Ik werd op mijn werk, omstreeks 19.30 uur meerdere keren gebeld door een anoniem nummer. (…) Ik hoorde dat een politie agent mij aansprak door de telefoon. Ik hoorde dat hij aan mij vroeg waar mijn scooter was. (…) Ik hoorde de agent toen zeggen dat mijn scooter dan waarschijnlijk gestolen was. Hij vroeg of ik het kenteken voor hem kon verifiëren en dit kwam overeen. Ook hoorde ik dat hij mijn scooter omschreef en dat dit overeen kwam met mijn scooter. Hij omschreef de scooter als volgt:
- [merk] ;
- [kleur] van kleur.
De hiervoor vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
3.3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummers 15/140532-25 en 15/208266-25 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Ten aanzien van parketnummer 15/140532-25
zij op 31 maart 2025 te Purmerend tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededaders voorgenomen misdrijf om een telefoon [merk] die aan [winkel] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen met voornoemde telefoon naar de uitgang van voornoemde winkel is gerend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- die [benadeelde partij 3] meermalen tegen het hoofd te stompen en
- die [benadeelde partij 1] tegen de schouder te slaan.
Ten aanzien van parketnummer 15/208266-25
Subsidiair
zij op 20 juni 2025 te Haarlem een scooter voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 15/140532-25
poging tot diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Ten aanzien van parketnummer 15/208266-25, subsidiair
opzetheling.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen in de zaak onder parketnummer 15/208266-25.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die zij al in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft verzocht aan het voorwaardelijk deel van de werkstraf de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de Raad en de Jeugdreclassering in hun rapporten en zoals aangepast op de zitting.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft eveneens verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen in de zaak onder parketnummer 15/208266-25.
Daarnaast heeft de raadsman – samengevat – verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij verzoekt de rechtbank een werkstraf voor de duur van 80 uren op te leggen, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die zij in voorarrest heeft doorgebracht. De raadsman kan zich vinden in de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en de Jeugdreclassering in hun rapporten en zoals aangepast op de zitting. Ten slotte heeft de raadsman verzocht het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak onder parketnummer 15/140532-25 op te heffen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op 31 maart 2025 schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. Zij is samen met twee anderen met de auto naar [plaats] gekomen, een van de medeverdachten is in de auto gebleven. De verdachte is degene geweest die de winkel in is gegaan. Nadat de verdachte de telefoon die zij wilde stelen in handen kreeg en wegrende, is een worsteling ontstaan met de winkelmedewerker, slachtoffer [benadeelde partij 3] . De medeverdachte (haar ex-vriend) is haar toen (nadat de verdachte hem riep) te hulp geschoten en heeft het slachtoffer met vuisten geslagen tegen zijn hoofd. Toen een omstander (slachtoffer [benadeelde partij 1] ) probeerde te helpen, is ook zij geslagen door de medeverdachte. Door haar handelen heeft de verdachte geen respect getoond voor andermans eigendommen en inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De verdachte was weliswaar – zoals haar raadsman naar voren brengt – niet de agressor, maar met haar handelen heeft zij wel significant bijgedragen aan het gepleegde geweld tegen de slachtoffers. Zij was immers niet alleen degene die de telefoon heeft proberen te stelen, maar heeft ook haar ex-vriend te hulp geroepen waarbij zij had kunnen weten dat hij geweld zou gebruiken om haar “te helpen”. Tijdens het geweld dat zowel binnen als buiten de winkel plaatsvond en gericht was op twee slachtoffers, heeft zij verder niet ingegrepen. De gevolgen van dit soort gebeurtenissen zijn in het algemeen heftig voor de slachtoffers. De impact op hun gewone leven en gevoel van veiligheid is groot. Zo heeft slachtoffer [benadeelde partij 1] in haar vordering van de benadeelde partij naar voren gebracht dat zij met name in de eerste week last heeft gehad van nachtmerries, nog steeds liever niet in de desbetreffende winkelstraat komt en dat het zien van de winkel of de medewerker die zij te hulp schoot, haar spanning geeft.
Daarnaast heeft de verdachte zich op 20 juni 2025 schuldig gemaakt aan opzetheling van een scooter. Dit is een hinderlijk feit, waarbij de verdachte zich niet heeft bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 4 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 22 september 2025 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad;
- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd van 12 september 2025 van [reclasseringsmedewerker] , als reclasseringsmedewerker verbonden aan de Reclassering (GGZ Fivoor).
De Raad heeft in haar rapport van 22 september 2025 geadviseerd om de verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke werkstraf. De Raad heeft daarbij aangegeven dat de verdachte een kwetsbaar meisje is en dat dat in combinatie met haar mogelijke persoonlijke- en gedragsproblemen ervoor zorgt dat de kans op herhaling aanwezig is. De verdachte is gemotiveerd om haar leven op de rit te krijgen. Zij werkt goed mee aan de begeleiding van de Jeugdreclassering en aan de onderzoeken van de Raad. Als bijzondere voorwaarden worden geadviseerd dat de verdachte:
  • goed bereikbaar is voor de jeugdreclassering en zich als dat nodig wordt geacht op bepaalde tijdstippen meldt bij de jeugdreclassering;
  • op de woongroep van [stichting] verblijft en dat zij zich hier houdt aan de regels;
  • meewerkt aan het vinden en behouden van een structurele dagbesteding (werk of iets anders);
  • meewerkt aan diagnostisch onderzoek en (daaruit voortkomende) benodigde behandeling/hulpverlening en
  • zicht geeft op haar relatie/contact met de medeverdachte van onderhavige delict.
Op de zitting heeft de Raad aangegeven op dit moment geen meerwaarde te zien in de bijzondere voorwaarde van inzicht geven in haar relatie/contact met de medeverdachte [medeverdachte] , omdat de relatie recentelijk is beëindigd. De Raad acht het wel van belang dat een bijzondere voorwaarde wordt opgelegd in die zin dat de verdachte zicht geeft op haar relaties/contacten in het algemeen, omdat daar – mede gelet op haar kwetsbaarheid – zorgen over zijn. Verder acht de Raad een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] noodzakelijk.
Vanwege de schorsing van de voorlopige hechtenis van 2 juli 2025 is de Jeugdreclassering bij de verdachte betrokken geraakt. In het rapport van 12 september 2025 heeft de Jeugdreclassering daarover de volgende informatie gegeven. Hoewel het in het begin goed leek te gaan, zijn er de afgelopen weken ontwikkelingen geweest waar de Jeugdreclassering zich zorgen om maakt. De verdachte is een aantal keren weggegaan van [stichting] , waarbij zij niet of minder goed in contact is geweest met de Jeugdreclassering. Zij lijkt dan te verblijven bij een voor haar oudere man, die zij een vriend noemt, en die haar een fatbike heeft gegeven en ’s nachts stennis heeft geschopt bij [stichting] . Gelet op de enorme kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van de verdachte maakt de Jeugdreclassering zich grote zorgen om dit contact. Hoewel de verdachte door de Jeugdreclassering is aangemeld voor diagnostisch onderzoek, is verder nog niet bekend wanneer dit onderzoek kan starten.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog in aanmerking genomen dat zij de feiten onder invloed van de medeverdachte (haar ex-vriend) lijkt te hebben gepleegd. Daarnaast heeft zij op de zitting oprecht spijt betuigd.
Toepassing jeugdstrafrecht in de zaak onder parketnummer 15/208266-25
De verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde feit onder parketnummer 15/208266-25, op 20 juni 2025, [leeftijd] oud. Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben verzocht conform artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) het sanctierecht voor jeugdigen toe te passen.
De rechtbank kan op grond van artikel 77c Sr, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, het sanctierecht voor jeugdigen toepassen bij een verdachte die ouder is dan 18 jaar en niet ouder is dan 23 jaar, zoals de verdachte.
De opsteller van het GGZ Fivoor reclasseringsrapport heeft geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen in de zaak onder parketnummer 15/208266-25. Er lijkt bij de verdachte sprake te zijn van een beperkte ontwikkeling. Daarnaast heeft zij moeite met het inschatten van risico’s, zijn er aanwijzingen voor beïnvloedbaarheid en lijkt zij in mindere mate in staat haar eigen gedrag te organiseren. Er wordt gezien dat de verdachte open staat voor hulp van andere volwassenen zoals de jeugdreclasseerder en de begeleiding van [stichting] . Binnen de huidige setting is aandacht voor het beschermen van de verdachte tegen negatieve beïnvloeding door andere jeugdigen. Tenslotte is er op dit moment sprake van een (goed) lopend traject bij de jeugdreclassering dat een kans moet krijgen om te slagen zodat de verdachte kan groeien in haar volwassenheid, aldus nog steeds de Jeugdreclassering.
De rechtbank ziet, op basis van voornoemd rapport, in de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen in de zaak onder parketnummer 15/208266-25.
De straf
Werkstraf
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan, te weten 60 uren, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Gelet op de in de rapportages en op de zitting geschetste zorgen acht de rechtbank het noodzakelijk dat begeleiding en eventueel behandeling in een strak kader zoals voorgesteld door de Raad en de Jeugdreclassering zal worden opgelegd aan de verdachte.
De geadviseerde voorwaarden zullen dan ook aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. De verdachte heeft zich op de zitting bereid verklaard om zich te houden aan de bijzondere voorwaarden. De rechtbank bepaalt dat toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden door de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te [plaats] wordt uitgevoerd.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de straf die de rechtbank aan de verdachte zal opleggen, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 15/140532-25 opheffen.

7.Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 450,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder parketnummer 15/140532-25 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voor een totaalbedrag van € 450,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft verzocht dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen.
7.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat, hoewel het gaat om rechtstreekse schade, dit niet aan de verdachte kan worden toegerekend nu zij de benadeelde partij niet zelf heeft geslagen.
7.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 15/140532-25 bewezen verklaarde feit, kort gezegd: poging tot diefstal met geweld in vereniging, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat de verdachte [benadeelde partij 1] weliswaar niet heeft geslagen, maar dat zij wel als medepleger van de diefstal met geweld wordt veroordeeld. Dit maakt dat de verdachte verantwoordelijk wordt gehouden voor de tegen [benadeelde partij 1] gepleegde geweldshandelingen, ook als deze niet door de verdachte zelf zijn verricht.
Vergoeding van de immateriële schade van een bedrag van € 450,00 komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van dit bedrag gelet op de onderbouwing van de vordering en bedragen die in soortgelijke gevallen als vergoeding worden toegekend.
De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een totaalbedrag van € 450,00.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Hoofdelijk
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend
samen met medeverdachten heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk.
Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen, is de verdachte in zoverre
jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort
gezegd: poging tot diefstal met geweld in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.
7.2.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 959,79 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder parketnummer 15/208266-25 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde schade bestaat uit:
  • Schade scooter € 903,13
  • Huur aanhanger € 32,20
  • Eerder weg van werk om aangifte te doen € 24,36
7.2.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk te verklaren, nu het ontbreekt aan een rechtstreeks verband tussen de schade en het bewezen verklaarde feit, te weten opzetheling.
7.2.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Mocht de rechtbank tot een veroordeling van de subsidiair ten laste gelegde heling komen, dan heeft de raadsman subsidiair aangevoerd dat een rechtstreeks verband tussen de schade en de heling ontbreekt. Meer subsidiair wordt betwist dat alle genoemde posten rechtstreekse schade betreffen en levert een goede beoordeling daarvan een te grote belasting van het strafgeding op.
7.2.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als sprake is van rechtstreekse schade. Er moet dan voldoende verband bestaan tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de geleden schade. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend voor de beantwoording van de vraag of de schade van een benadeelde partij die verband houdt met een benadeling door diefstal kan worden toegerekend aan de heler van bij die diefstal buitgemaakte goederen (HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1926).
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet is gebleken dat voldoende verband bestaat tussen de schade die de benadeelde partij vordert en de bewezenverklaarde opzetheling van de scooter. De gestelde schade vloeit namelijk rechtstreeks voort uit de diefstal van die scooter. Zoals hiervoor is overwogen en beslist, zal de verdachte worden vrijgesproken van de onder parketnummer 15/208266-25 primair ten laste gelegde diefstal van de scooter. De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachte een wezenlijke rol bij de diefstal heeft gespeeld. Dat maakt dat zij in dit geval niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de bij en door de desbetreffende diefstal ontstane schade.
Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij kan de vordering nog aanbrengen bij de burgerlijke rechter in een civiele procedure.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 45, 77a, 77c, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 416 Sr.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 15/208266-25 primair ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummers 15/140532-25 en 15/208266-25 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
120 (honderdtwintig) urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot
60 (zestig) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie,
nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als
algemene voorwaardendat de veroordeelde:
  • zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
Stelt als
bijzondere voorwaardendat de veroordeelde:
  • meewerkt aan het (jeugd)reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en zich meldt bij de (jeugd)reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de (jeugd)reclasseringsinstelling dit in overleg met de officier van justitie, noodzakelijk acht;
  • op de woongroep van [stichting] verblijft en dat zij zich hier houdt aan de regels;
  • meewerkt aan het vinden en behouden van een structurele dagbesteding (werk of iets anders);
  • meewerkt aan diagnostisch onderzoek en (daaruit voortkomende) benodigde behandeling/hulpverlening;
  • zicht geeft op haar relaties/contacten, voor zover en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
  • op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , waarbij de politie toezicht houdt op de naleving van dit contactverbod.
Geeft opdracht aan de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te [plaats] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de ten uitvoer te leggen taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht en met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering worden gebracht.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden
schade tot een bedrag van
€ 450,00 (zegge: vierhonderdvijftig euro), voor de immateriële schade, en veroordeelt de veroordeelde tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door (een van) de medeverdachte(n) is betaald, de veroordeelde in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden
begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de veroordeelde als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer
[benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 450,00 (zegge: vierhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 (nul) dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens (een van) de
medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de veroordeelde in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot
betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting
tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering.
Voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte onder parketnummer 15/140532-25.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.K. Mireku, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. S. Ok en mr. J. Lintjer, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.A. Spoelstra,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2025.