ECLI:NL:RBNHO:2025:12435

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
15/223552-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een dertienjarige verdachte wegens dwang in de zin van artikel 284 Sr met aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 15 oktober 2025 uitspraak gedaan in een jeugdstrafzaak tegen een dertienjarige verdachte, die werd beschuldigd van dwang in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte had het slachtoffer, zijn nicht, onverhoeds betast op haar borst en clitoris terwijl zij sliep. De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn in deze zaak met negen maanden was overschreden, wat de rechtbank als fors en onzorgvuldig van het Openbaar Ministerie (OM) beschouwde. De rechtbank hield rekening met de jonge leeftijd van de verdachte en de impact van de vertraging op zijn belangen. Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat een straf geen pedagogische meerwaarde had en dat toepassing van artikel 9a Sr de enige passende afdoening was. De rechtbank legde geen straf of maatregel op, maar wees de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe, waarbij de ouders van de verdachte aansprakelijk werden gesteld voor de schadevergoeding. De rechtbank kende een bedrag van € 500,00 toe voor immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente, en verklaarde de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15/223552-23 (P)
Uitspraakdatum: 15 oktober 2025
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 1 oktober 2025 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[de OvJ] en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B. Roodveldt, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.
Op de zitting is verder het woord gevoerd door [vertegenwoordiger van de raad] van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de Raad).
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij ] en van wat namens haar naar voren is gebracht door [medewerker slachtofferhulp] van Slachtofferhulp.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Primairhij op of omstreeks 19 december 2021 te Alkmaar, althans in Nederland, een ander, te weten [benadeelde partij ] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [benadeelde partij ] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het dulden van een of meer (ontuchtige) handelingen, die bestonden uit het betasten en/of strelen van een borst en/of het betasten en/of strelen en/of aanraken van de clitoris, althans de vagina en/of de schaamstreek en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid hieruit dat verdachte die [benadeelde partij ] onverhoeds die ontuchtige handelingen heeft uitgevoerd;
Subsidiairhij op of omstreeks 19 december 2021 te Alkmaar, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde partij ] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten en/of strelen van de borst van die [benadeelde partij ] en/of het betasten en/of strelen en/of aanraken van de clitoris, althans de vagina, van die [benadeelde partij ] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid hieruit dat verdachte die [benadeelde partij ] onverhoeds heeft aangeraakt terwijl die [benadeelde partij ] sliep en/of in halfslaap verkeerde;
Meer subsidiairhij op of omstreeks 19 december 2021 te Alkmaar, althans in Nederland, met [benadeelde partij ] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dat die [benadeelde partij ] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten en/of strelen van de borst van die [benadeelde partij ] en/of het betasten en/of strelen en/of aanraken van de clitoris, althans de vagina, van die [benadeelde partij ] .

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het primair ten laste gelegde feit, met dien verstande dat over de borst – over de kleding heen – is gestreeld en over het schaamhaar, maar niet over de clitoris.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
De bewijsmiddelen
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feite op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is, nu deze authentiek, consistent en gedetailleerd is. De aangifte vindt ook steun in de verklaring van getuige [getuige] en de notitie in haar telefoon, die is opgemaakt vlak na het incident. De rechtbank ziet daarom geen reden om te twijfelen aan wat de aangeefster heeft verklaard over het aanraken van de clitoris. Dit verweer van de raadsvrouw wordt dan ook door de rechtbank verworpen.
3.3.2.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
Primair
hij op 19 december 2021 te Alkmaar, [benadeelde partij ] , door enige andere feitelijkheid gericht tegen die [benadeelde partij ] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden, te weten het dulden van ontuchtige handelingen, die bestonden uit het betasten van een borst en het aanraken van de clitoris, bestaande die andere feitelijkheid hieruit dat verdachte die ontuchtige handelingen onverhoeds bij die [benadeelde partij ] heeft uitgevoerd.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
Primair
een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Overwegingen ten aanzien van de straf

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, waarbij de officier van justitie onder meer rekening gehouden heeft met een overschrijding van de redelijke termijn die geldt in jeugdstrafrechtzaken. Ook heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat de verdachte zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en heeft geleerd van het tenlastegelegde en dat geen sprake is van recidive.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in combinatie met het verloop van deze zaak en de forse overschrijding van de redelijke termijn, verzocht om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr): een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de beoordeling van de afdoeningsmodaliteit onder meer rekening gehouden met op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, het tijdsverloop van deze procedure en de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan dwang in de zin van artikel 284 Sr door het slachtoffer, zijn nicht, onverhoeds te betasten op haar borst en clitoris terwijl zij sliep. Het slachtoffer had een goede band met de verdachte en de rest van de familie en was vaak bij hen thuis. De bewuste nacht is zij, samen met een andere vriend, bij de verdachte en zijn zus blijven logeren in verband met de verjaardag van de verdachte de volgende dag. Ze sliepen met zijn vieren op één slaapkamer, omdat ze dat gezellig vonden. Het slachtoffer wilde bewust naast de verdachte en niet naast die andere jongen liggen, omdat dat haar een fijner gevoel gaf: de verdachte was immers haar neefje en zij vertrouwde hem. Door wat de verdachte die nacht gedaan heeft, heeft hij niet alleen dit vertrouwen van het slachtoffer ernstig beschaamd, maar ook de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer geschonden en heeft hij haar onveilig laten voelen. Uit de namens het slachtoffer voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring is gebleken dat het feit de nodige impact en nadelige gevolgen voor het slachtoffer heeft (gehad). Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte allereerst rekening met het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 6 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte voor of na het bewezenverklaarde niet is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Verder neemt de rechtbank in aanmerking het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 25 september 2025 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad. De Raad adviseert in het rapport de verdachte te veroordelen tot een (deels) voorwaardelijke werkstraf, onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De Raad heeft zowel in haar rapport als op de zitting daartoe aangegeven zich op alle leefgebieden geen zorgen te maken om de verdachte. De verdachte heeft zijn spijt betuigd en heeft daartoe ook meegewerkt aan een mediation traject (Perspectief Herstelbemiddeling) dat is geïnitieerd door het slachtoffer. Er is al ingezet op hulpverlening voor het voorkomen van herhaling in delictgedrag. Nu het recidiverisico als laag wordt ingeschat en het feit zich lang geleden heeft afgespeeld, zal het volgens de Raad pedagogisch weinig uitmaken of de verdachte nog een straf opgelegd zal krijgen. De Raad kan niet uitleggen wat de meerwaarde is van een voorwaardelijk deel van een werkstraf, omdat een stok achter de deur niet nodig en niet wenselijk is. Voor wat betreft vergelding en genoegdoening voor het slachtoffer zou een onvoorwaardelijke werkstraf kunnen worden opgelegd, aldus nog steeds de Raad.
De rechtbank houdt er met betrekking tot de persoon van de verdachte verder nog rekening mee dat hij ten tijde van het bewezenverklaarde nog erg jong was, te weten 13 jaar oud . Daarnaast heeft hij op de zitting oprecht spijt betuigd.
Overige omstandigheden
De rechtbank houdt daarnaast rekening met het tijdsverloop tussen het begaan van het feit en de berechting. Er is ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM [] , met ruim 9 maanden. Deze overschrijding acht de rechtbank fors. De rechtbank acht de werkwijze van het Openbaar Ministerie (OM) met betrekking tot het verloop van deze zaak verder onzorgvuldig en zal hierna uitleggen waarom. Op 8 februari 2022 vindt een informatief gesprek zeden plaats met het slachtoffer [benadeelde partij ] . Zoals hiervoor al genoemd is, heeft er vervolgens op initiatief van het slachtoffer in maart 2022 mediation plaatsgevonden en er is hulpverlening voor de verdachte ingezet. De Raad geeft aan dat hij zich goed heeft ingezet voor het mediation-traject en de aangeboden hulpverlening. De verdachte geeft op de zitting ook aan dat hij hier ook veel baat bij heef gehad. Vervolgens doet het slachtoffer op 2 mei 2023 aangifte tegen de verdachte en wordt een zitting bij de meervoudige kamer op 28 augustus 2024 gepland. Daarna is de zaak door het OM van de zitting afgehaald om de zaak op een OM-hoorzitting af te doen. De verdenking is toen veranderd naar primair dwang in de zin van artikel 284 Sr, omdat de zaak vanwege het zeden karakter anders niet op een OM-hoorzitting kon worden afgedaan. De advocaat van het slachtoffer neemt vervolgens contact op met het OM en geeft aan dat het slachtoffer aanwezig wil zijn bij de zitting, haar verzoek tot schadevergoeding wil toelichten en gebruik wil maken van haar spreekrecht, wat niet mogelijk is bij een OM-hoorzitting. Vervolgens is door het OM besloten om de beslissing om de zaak op een OM-hoorzitting te behandelen in te trekken en de verdachte opnieuw te dagvaarden bij de meervoudige kamer. De tenlastelegging is daarbij aangevuld met de zwaardere verdenkingen aanranding van artikel 284 Sr (subsidiair) en ontucht van artikel 246 Sr (meer subsidiair). De zitting vindt 1 oktober 2025 plaats, bijna vier jaar na het incident. Deze gang van zaken is niet uit te leggen aan de verdachte. Door aldus te handelen heeft het OM voor flinke vertraging in het strafproces gezorgd en heeft daarbij onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van de verdachte, die ook nog maar 13 jaar was. De rechtbank acht dit een kwalijke gang van zaken en houdt daar in het voordeel van verdachte in grote mate rekening mee.
Toepassing van artikel 9a Sr
Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een op te leggen straf voor dit feit geen pedagogische meerwaarde heeft en ziet ook vanuit het oogpunt van vergelding geen aanleiding om nog een straf aan de verdachte op te leggen, met name gelet op het hierboven beschreven tijdsverloop en het verloop van de procedure. De rechtbank is van oordeel dat toepassing van artikel 9a Sr de enige passende afdoening is, hoewel het voor de rechtbank invoelbaar is dat deze beslissing moeilijk zal zijn voor het slachtoffer. De rechtbank zal bepalen dat geen straf en/of maatregel aan de verdachte wordt opgelegd.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij ]
De wettelijke vertegenwoordiger (moeder) [wettelijke vertegenwoordiger] heeft namens de benadeelde partij [benadeelde partij ] een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,00 ingediend tegen de verdachte, bestaande uit immateriële schade, die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor een totaalbedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente, maar zonder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel nu de vordering juridisch gezien tegen de ouders van de verdachte is ingediend.
7.1.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering had moeten worden ingediend tegen de ouders van de verdachte, omdat de verdachte destijds 13 jaar was. Subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat onvoldoende concrete gegevens zijn overgelegd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, nu de onderbouwing van de vordering ziet op aanranding en er mogelijk alleen wettig en overtuigend bewijs is voor dwang. Zo volgt uit de slachtofferverklaring niet dat is voldaan aan het vereiste dat ‘naar objectieve maatstaven’ het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld, zodat de vordering moet worden afgewezen. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een lager bedrag aan schadevergoeding toe te kennen.
7.1.3.
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte was dertien jaar oud ten tijde van het delict. Op grond van artikel 51g, vierde lid, Wetboek van Strafvordering wordt de vordering van de benadeelde partij, indien deze betrekking heeft op een als doen te beschouwen gedraging van de verdachte die de leeftijd van veertien jaren nog niet heeft bereikt en aan wie deze gedraging als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, geacht te zijn gericht tegen diens ouders of voogd. De vordering hoeft dus niet expliciet gericht te zijn op de ouders. Dit betekent dat de ouders van de verdachte tot vergoeding van die schade kunnen worden gehouden. De ouders zijn op de zitting ook in de gelegenheid gesteld op de vordering te reageren dan wel daar verweer op te voeren.
Voor de rechtbank is verder voldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen verklaarde feit [kort gezegd: dwang], door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van immateriële schade in het geval dat:
  • de verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Uit het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen of in haar eer of goede naam is geschaad. Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106 BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De rechtbank begrijpt dat de benadeelde partij zich door het handelen van de verdachte onveilig en angstig heeft gevoeld. De rechtbank is echter van oordeel dat met de gegeven onderbouwing (waaronder de brief van de psychotherapeut waarin staat dat de benadeelde partij twee keer op gesprek is geweest), geen geestelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 BW is aangetoond, hoe vervelend de gevoelens ook zijn. Verder is de aantasting in de persoon op andere wijze niet met concrete gegevens onderbouwd. De vraag die resteert is dan ook of de aard en de ernst van de normschending in dit geval meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvoor voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De benadeelde partij is onverhoeds betast op haar borst en clitoris door haar neef, terwijl zij lag te slapen, waardoor zij op een dusdanig manier in haar lichamelijke en seksuele integriteit is aangetast, dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat de aantasting kan worden aangenomen.
De rechtbank komt vergoeding van een bedrag van € 500,00 billijk voor. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van dit bedrag gelet op de onderbouwing van de vordering, de (psychische) gevolgen die het heeft gehad voor de benadeelde partij en bedragen die in soortgelijke gevallen als vergoeding worden toegekend.
De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een totaalbedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor het overige.
Daarnaast dienen de ouders van de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Geen schadevergoedingsmaatregel
Nu niet de verdachte zelf, maar zijn ouders worden veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3.2. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij ]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), voor de immateriële schade, en veroordeelt de ouders van de veroordeelde tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij ] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de ouders van de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. Lintjer, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. S. Ok en mr. A.K. Mireku, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.A. Spoelstra,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2025.