Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
[bedrijf 1],
1.De procedure
2.De feiten
Artikel 2 - Zorgplicht
.
3.Het geschil
4.De beoordeling
minimaleexecutieopbrengst van € 330.000,00 en dit als voorwaarde aan doorgang van de executieveiling heeft gesteld. De voorzieningenrechter heeft in het kader van de afweging van belangen enkel meegenomen dat gelet op het taxatierapport niet aannemelijk is dat [eiser] met een restschuld zal achterblijven en uit de ‘overwaarde’ andere schuldeisers vermoedelijk zullen kunnen worden voldaan. De voorzieningenrechter heeft verder geoordeeld dat de belangen van [eiser], waaronder het zwaarstwegende belang om niet meer te kunnen beschikken over een woning, niet opwegen tegen het belang van de bank om de executieveiling doorgang te laten vinden. Dit omdat [eiser] al sinds 2018 stelselmatig ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen en de bank alvorens tot executie over te gaan zich lange tijd coulant had opgesteld, zoals ook in deze procedure is geoordeeld.