ECLI:NL:RBNHO:2025:12497

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
C/15/369584/ KG ZA 25-586
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over voortzetting zorgovereenkomsten voor een man met ernstige beperkingen

In dit kort geding vorderen eisers, bestaande uit verschillende stichtingen en bewindvoerders, dat een zorgaanbieder, Esdégé-Reigersdaal, wordt veroordeeld om de zorgovereenkomsten voort te zetten die zijn gesloten voor de zorg van een 29-jarige man met ernstige beperkingen. De zorgaanbieder had de overeenkomsten opgezegd, stellende dat de zorg niet goed werd geleverd en er geen verbetering te verwachten was. De rechtbank oordeelt dat de zorgaanbieder de overeenkomsten wel mocht opzeggen, maar dat deze moeten worden voortgezet tot uiterlijk 1 april 2026. Dit is noodzakelijk om de continuïteit van de zorg te waarborgen, aangezien er nog afspraken gemaakt moeten worden. Tevens wordt de vordering toegewezen om het zorgkantoor te veroordelen gedurende deze periode zorggelden te blijven betalen.

De procedure begon met een dagvaarding op 17 september 2025, waarna op 24 september 2025 een zitting plaatsvond. De rechtbank heeft vastgesteld dat de zorgaanbieder voldoende redenen had voor de opzegging, maar dat de continuïteit van zorg voor de onderbewindgestelde niet in het geding mag komen. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat Esdégé niet voldoende afspraken heeft gemaakt om de continuïteit van de zorg te waarborgen, wat een belangrijke voorwaarde is bij de beëindiging van de zorgovereenkomsten. De rechtbank heeft de vorderingen van eisers grotendeels toegewezen, met de verplichting voor Esdégé om de zorgovereenkomsten tot 1 april 2026 na te komen en voor VGZ om de zorggelden beschikbaar te stellen tot die datum.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/369584 / KG ZA 25-586
Vonnis in kort geding van 1 oktober 2025 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.de stichting Stichting [de Foundation] ,

te [plaats 1] ,
2. de stichting
[de stichting],
te [plaats 2] ,
3.
[bewindvoerder 1]en
[bewindvoerder 2], als beschermingsbewindvoerders over de goederen die toebehoren aan:
[onderbewindgestelde],
te [plaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] , en afzonderlijk te noemen: [de Foundation] , [de stichting] , [bewindvoerder 1] , [bewindvoerder 2] en [onderbewindgestelde]
advocaat: mr. M. Schildwacht,
tegen

1.de stichting Stichting Esdégé-Reigersdaal,

te Langedijk,
advocaat mr. M.A. Le Belle,
2. de besloten vennootschap
VGZ Zorgkantoor B.V.,
te Arnhem,
advocaat: mr. S.C. Bezemer en mr. J.J.C. Vorias,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: Esdégé en VGZ.
De zaak in het kort
In dit kort geding vorderen eisers dat een zorgaanbieder wordt veroordeeld om de overeenkomsten voort te zetten die zijn gesloten ten behoeve van de zorg voor een 29-jarige man met ernstige beperkingen. De zorgaanbieder heeft die overeenkomsten opgezegd, omdat de zorgaanbieder vindt dat geen goede zorg wordt geleverd en daarin geen verbetering komt. De rechtbank oordeelt dat de zorgaanbieder de overeenkomsten wel mocht opzeggen, maar dat de overeenkomsten moeten worden voortgezet tot uiterlijk 1 april 2026, omdat nog afspraken moeten worden gemaakt die de continuïteit van de zorg waarborgen. Dat brengt mee dat ook de vordering om het zorgkantoor te veroordelen gedurende die periode zorggelden te blijven betalen, wordt toegewezen.

1.De procedure

1.1.
[eisers] hebben met een dagvaarding van 17 september 2025 een vordering tegen Esdégé en VGZ ingesteld.
1.2.
Op 24 september 2025 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Partijen hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen op 22 en 23 september 2025 nog stukken ingediend.

2.De feiten

2.1.
[onderbewindgestelde] is een 29-jarige man met zeer ernstige en bijzondere beperkingen, waardoor hij intensieve zorg nodig heeft.
2.2.
[bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] , de ouders van [onderbewindgestelde] , zijn in 2015 een samenwerking aangegaan met zorginstelling Esdégé voor de zorg aan [onderbewindgestelde] . [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] hebben een woning met aangelegen ‘loods’ voor [onderbewindgestelde] gehuurd en gekocht, zodat [onderbewindgestelde] een eigen woning kon betrekken waar de zorgverlening plaatsvindt. In dat kader hebben zij ook Stichting [de Foundation] en Stichting [de stichting] opgericht. [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] wonen in de woning naast de ‘loods’ en zijn zelf ook zorgverlener voor [onderbewindgestelde] . [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] zijn als zorgverlener in dienst bij [de stichting] , naast twee andere zorgverleners. Er worden daarnaast zorgverleners van Esdégé ingezet.
2.3.
Ter uitvoering van de hiervoor genoemde samenwerking is op 26 juni 2015 door Esdégé en [de Foundation] een ‘Onderaannemingsovereenkomst’ aangegaan.
2.4.
Op 12 november 2015 is tussen Esdégé en [de stichting] een soortgelijke ‘Onderaannemingsovereenkomst’ gesloten. Daarin staat onder meer het volgende:
“1. Zorg/Ondersteuning/Begeleiding
1.1
[de Foundation] verplicht zich om gedurende de looptijd van deze overeenkomst
zorg te verlenen ten behoeve van [onderbewindgestelde] . (…)
3. Kwaliteit
3.1
Partijen zullen een kwaliteitsteam formeren, waarin deskundigen van Esdégé-
Reigersdaal en [de stichting] zitting hebben, met het doel de kwaliteit van
de door [de stichting] verleende zorg te ondersteunen en te waarborgen.(…)
7. Vergoeding en betaling
7.1
[de stichting] draagt de volledige financiële verantwoordelijkheid voor de
uitvoering van de in artikel 1.2 benoemde te leveren zorg (verder te noemen: de
zorgprestaties).
7.2.
Esdégé-Reigersdaal betaalt [de stichting] maandelijks een voorschot op de
vergoeding voor de geleverde zorgprestaties. (…)
7.5.
Driemaandelijks wordt een definitieve afrekening opgesteld in de vorm van een
door [de stichting] op te stellen factuur.”
2.5.
In de Onderaannemingsovereenkomst van 12 november 2015 (hierna: de Onderaannemingsovereenkomst) zijn in artikel 9 de volgende afspraken over de duur en de opzegging van de overeenkomst opgenomen:
“9. Aanvang en duur
9.1
Deze overeenkomst wordt voor onbepaalde tijd aangegaan met ingang van 1
oktober 2015.
9.2.
Ieder der Partijen is gerechtigd de overeenkomst op te zeggen tegen elke datum
met inachtneming van een redelijke opzegtermijn als de andere partij ondanks
herhaald verzoek daartoe onder het stellen van een redelijke termijn een
wezenlijke verplichting uit deze overeenkomst niet nakomt.(…)
9.4.
Bij beëindiging van deze overeenkomst zullen partijen afspraken maken om de
continuïteit van de zorg aan [onderbewindgestelde] te realiseren.”
2.6.
Ter uitvoering van de samenwerking is in 2015 ook mondeling een zorg- en dienstverleningsovereenkomst aangegaan tussen Esdégé en (de bewindvoerders van) [onderbewindgestelde] (hierna: de Zorgovereenkomst). Er is geen schriftelijke zorg- en dienstverleningsovereenkomst.
2.7.
Tussen Esdégé en VGZ bestaat een overeenkomst op grond van de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz en Wlz-overeenkomst). Op basis van die overeenkomst betaalt VGZ aan Esdégé voor de geleverde zorg aan een verzekerde, in dit geval [onderbewindgestelde] . Esdégé betaalt als ‘hoofdaannemer’ (een deel van) die vergoeding door aan ‘onderaannemers’, in dit geval [de stichting] . Op die manier wordt de zorg aan [onderbewindgestelde] gefinancierd.
2.8.
In de Wlz-overeenkomst is bepaald dat Esdégé in geval van zorgbeëindiging moet handelen volgens het Voorschrift zorgtoewijzing Wlz (hierna: het Voorschrift Wlz). In dat Voorschrift staat onder meer:
“ 6.3 Zorgbeëindiging door zorgaanbieder
Zorgbeëindiging is het eenzijdig willen stopzetten van de ingezette zorg door de zorgaanbieder terwijl er wel een actuele zorgvraag aanwezig is. Het beëindigen is slechts mogelijk bij zwaarwegende redenen en alleen onder bijzondere omstandigheden. Een voorgenomen beëindiging van zorg kan dus slechts in zeer uitzonderlijke situaties plaatsvinden.
Voorbeelden van zwaarwegende redenen zijn: (…)
• Een onherstelbaar verstoorde vertrouwensrelatie. (…)
• Het niet nakomen van essentiële verplichtingen of regels, ook niet na herhaaldelijk
(schriftelijk), aandringen of waarschuwen door de zorgaanbieder. (…)
Procedure bij zorgbeëindiging voor een individuele cliënt
• Bij een voorgenomen stopzetting van zorg doet de zorgaanbieder hiervan schriftelijk
melding aan de cliënt.
• Bij een voorgenomen stopzetting van zorg doet de zorgaanbieder via Notitieverkeer een
met redenen omklede melding aan het zorgkantoor. Deze schriftelijke melding aan het
zorgkantoor wordt onderbouwd met een dossier. Uit het dossier moet blijken welke
omstandigheden een rol spelen in het voorgenomen besluit. In het dossier is verder een
toelichting opgenomen over de stappen die gezet zijn.
• Aan de schriftelijke melding is een voorstel toegevoegd hoe de continuïteit van de
zorgverlening is geregeld totdat de zorg is overgedragen aan een andere zorgaanbieder.
Noodzakelijke stappen zorgaanbieder bij voorgenomen besluit zorgbeëindiging. (…)
De zorgaanbieder/zorgverlener:
• Heeft de cliënt tenminste eenmaal schriftelijk gewaarschuwd en bij deze waarschuwing
aangegeven dat stopzetting van de zorg wordt ingezet als de ontstane situatie niet
verandert. Deze waarschuwing is terug te vinden in het dossier.
• Heeft zich maximaal ingespannen om de casuïstiek te bespreken met andere disciplines of
deskundigheidsniveaus (bijvoorbeeld arts, CCE of casemanager/trajectbegeleider) of
collega zorgaanbieder(s).
• Heeft zich maximaal ingespannen om een andere zorgaanbieder bereid te vinden tot
overname van de zorg voor deze cliënt.”
2.9.
In een brief van 1 mei 2024 heeft Esdégé aan [de stichting] meegedeeld dat Esdégé naar aanleiding van een incident informatie heeft ontvangen over de werk- en zorgomstandigheden op de locatie waar [onderbewindgestelde] verblijft, waaruit volgens Esdégé blijkt dat de kwaliteit van de zorg onvoldoende geborgd is. Esdégé heeft daarbij ook laten weten dat zij heeft besloten een extern bureau in te schakelen om verder onderzoek te doen naar de kwaliteit van de zorg en de werkomstandigheden op de locatie.
2.10.
Esdégé heeft met een brief van 22 november 2024 de Onderaannemingsovereenkomst met [de stichting] per 1 januari 2025 opgezegd. Als reden voor de opzegging heeft Esdégé genoemd dat een wezenlijke verplichting uit de Onderaannemingsovereenkomst niet wordt nagekomen, namelijk het leveren van goede zorg aan [onderbewindgestelde] , en dat Esdégé daarom gebruik maakt van de mogelijkheid tot opzegging van artikel 9.2 van de Onderaannemingsovereenkomst. Esdégé heeft daarbij verwezen naar een rapport van onderzoeksbureau Quasir van 21 november 2024. Verder heeft Esdégé in die brief gesteld dat [de stichting] al eerder in de gelegenheid is gesteld om een start te maken met het verbeteren van de kwaliteit van de zorgverlening, maar dat daarvan geen gebruik is gemaakt.
2.11.
De advocaat van [eisers] heeft met een brief van 7 december 2024 bezwaar gemaakt tegen de opzegging en daarbij naar voren gebracht dat die opzegging om meerdere redenen niet geldig is. In die brief wordt onder meer gesteld dat onduidelijk is waarom de zorg slecht zou zijn, dat daarvoor geen enkele inhoudelijke motivering wordt gegeven, dat er geen verbetertraject is afgesproken of doorlopen, en dat Esdégé zelf onderdeel is van de samenwerking en zorgverlening aan [onderbewindgestelde] , zodat niet goed te begrijpen is waarom alleen [eisers] een verwijt wordt gemaakt van de vermeende slechte zorg. Daarnaast is erop gewezen dat het onderzoek van Quasir ondeugdelijk is en niet onpartijdig, en dat het rapport ook niet is gedeeld met [eisers] Verder is in de brief opgemerkt dat de opzegtermijn veel te kort is en dat Esdégé de op haar rustende zorgplicht naar [onderbewindgestelde] toe schendt door hem binnen een maand aan zijn lot over te laten, terwijl [onderbewindgestelde] nog geen nieuwe of andere zorg heeft.
2.12.
In een e-mail van 10 december 2024 heeft de advocaat van Esdégé erkend dat de opzegtermijn te kort is en is de opzegging gedaan per 1 april 2025. Daarbij is herhaald dat Esdégé een aanbod heeft gedaan voor ‘intramurale’ zorgverlening aan [onderbewindgestelde] bij een locatie van Esdégé.
2.13.
Partijen hebben nadien regelmatig met elkaar gesproken en gecorrespondeerd, deels via hun advocaten.
2.14.
In een verslag van een bespreking op 15 april 2025 tussen Esdégé en [de stichting] staat dat de Onderaannemingsovereenkomst wordt verbroken per 1 juni 2025 en dat ook de Zorgovereenkomst met [onderbewindgestelde] per die datum wordt beëindigd.
2.15.
Met een brief van 3 juni 2025 heeft Esdégé de Zorgovereenkomst die ten behoeve van [onderbewindgestelde] is gesloten, opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden en met ingang van 4 augustus 2025.
2.16.
In een brief van 12 juni 2025 heeft de advocaat van Esdégé aan de advocaat van [eisers] meegedeeld dat Esdégé de eindtermijn van zowel de Onderaannemingsovereenkomst als de Zorgovereenkomst opschuift naar 4 september 2025.
2.17.
De advocaat van VGZ heeft in een brief van 19 september 2025 aan de advocaat van Esdégé meegedeeld dat VGZ geen contractspartij is bij de overeenkomsten die door Esdégé worden opgezegd en dat het aan Esdégé is om aan te tonen dat die opzeggingen
gerechtvaardigd zijn.
2.18.
Met een e-mail van 22 september 2025 heeft de advocaat van VGZ aan de advocaat van [eisers] laten weten dat er geen contractuele basis bestaat om rechtstreeks betalingen te verrichten aan [eisers] , omdat er geen Wlz-overeenkomst bestaat tussen VGZ en [eisers] en Esdégé de bestaande Zorgovereenkomst heeft beëindigd.

3.Het geschil

3.1.
De vorderingen van [eisers] komen erop neer dat wordt gevraagd om Esdégé te veroordelen tot nakoming van de Onderaannemings- en Zorgovereenkomst, en tot voortzetting van de zorgconstructie rondom [onderbewindgestelde] , en om VGZ te veroordelen tot het beschikbaar blijven stellen van de zorggelden voor [onderbewindgestelde] . [eisers] leggen aan die vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Esdégé geen reden heeft voor opzegging, geen redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen, de voorschriften bij opzegging niet in acht heeft genomen en geen afspraken heeft gemaakt om de continuïteit van de zorg van [onderbewindgestelde] te waarborgen. Daarvan uitgaande zijn [eisers] van mening dat VGZ de zorggelden voor [onderbewindgestelde] moet blijven betalen. Verder hebben [eisers] gevorderd dat Esdégé en VGZ worden veroordeeld tot afgifte van stukken en tot betaling van een (voorschot op een) schadevergoeding.
3.2.
Esdégé voert verweer en stelt – samengevat – dat zij een zwaarwegende reden had voor opzegging, omdat uit onderzoek is gebleken dat de zorgverlening niet aan de vereisten voldoet en er geen verbetering mogelijk blijkt. Verder meent Esdégé dat de beslissing tot opzegging zorgvuldig is genomen en dat [eisers] alle aangeboden alternatieven hebben afgewezen, zodat van haar niet gevergd kan worden de zorgconstructie voort te zetten.
3.3.
VGZ stelt – kort weergegeven – dat zij buiten de contractuele relatie tussen Esdégé en [eisers] staat en dat de vordering van [eisers] jegens haar moet worden afgewezen, omdat zij op grond van de wet- en regelgeving geen rechtstreekse betalingen kan en mag verrichten aan [eisers] , mede vanwege de beëindiging van de Zorgovereenkomst.

4.De beoordeling

waar gaat het om in deze zaak?
4.1.
Het gaat in dit kort geding vooral om de vraag of Esdégé moet worden veroordeeld tot nakoming van de Onderaannemings- en Zorgovereenkomst, dan wel tot voortzetting van de zorgconstructie rondom [onderbewindgestelde] . In het verlengde daarvan komt de vraag aan de orde of VGZ moet worden veroordeeld tot het beschikbaar blijven stellen van zorggelden voor [onderbewindgestelde] .
4.2.
Bij de beoordeling van de vordering is met name van belang of de opzegging van de Onderaannemings- en Zorgovereenkomst door Esdégé rechtsgeldig is en of Esdégé haar verplichtingen in het kader van de beëindiging van de overeenkomsten deugdelijk is nagekomen.
het kader van een kort geding
4.3.
[eisers] moeten in een kort geding een spoedeisend belang hebben bij hun vordering. Dat is het geval, omdat de zorgconstructie rondom [onderbewindgestelde] is beëindigd per 4 september 2025 en er vanaf dat moment geen zorggelden meer beschikbaar worden gesteld.
4.4.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is verder vereist dat het voldoende waarschijnlijk is dat die vordering in een gewone procedure (een bodemprocedure) ook zal worden toegewezen. De feiten die een partij aan een vordering ten grondslag legt, moeten voldoende aannemelijk worden gemaakt en voor nadere bewijslevering is in een kort geding over het algemeen geen plaats. Bij de beoordeling van een vordering in kort geding moet de rechtbank ook de belangen van partijen afwegen.
de opzegging is rechtsgeldig
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank moet in dit kort geding worden geconcludeerd dat de opzegging van de Onderaannemings- en Zorgovereenkomst door Esdégé rechtsgeldig is. Hierna legt de rechtbank uit waarom tot dit oordeel is gekomen.
de opzegging is bevoegd gedaan
4.6.
De stelling van [eisers] dat aan de opzegging van de Onderaannemings- en Zorgovereenkomst geen bestuursbesluit van Esdégé ten grondslag ligt en de opzegging daarom niet is gedaan door een daartoe bevoegd bestuurslid, gaat niet op. Uit het door Esdégé overgelegde uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel blijkt dat alle bestuursleden van Esdégé alleen en zelfstandig bevoegd zijn. De opzeggingen konden dus worden gedaan door het bestuurslid dat in de opzeggingsbrieven wordt vermeld.
de opzegging is gedaan tegenover de juiste partij
4.7.
[eisers] stellen dat de opzegging van de Onderaannemings- en Zorgovereenkomst door Esdégé is gedaan tegenover [de stichting] , maar dat dit onjuist is, omdat die overeenkomsten zijn aangegaan door [de Foundation] .
4.8.
De eerste Onderaannemingsovereenkomst is aangegaan met [de Foundation] op 26 juni 2015. Vervolgens is op 12 november 2015 een nagenoeg identieke Onderaannemingsovereenkomst gesloten tussen Esdégé en [de stichting] . Uit de aard van die overeenkomsten volgt dat niet beoogd is om twee overeenkomsten te sluiten, maar dat de tweede overeenkomst een voortzetting en vervanging is van de eerste. Overigens heeft Esdégé op de zitting toegelicht dat [de stichting] na 26 juni 2015 als nieuwe stichting is opgericht met het oog op het aangaan van een (nieuwe) Onderaannemingsovereenkomst en dat is door [eisers] onvoldoende betwist. De opzegging van de Onderaannemingsovereenkomst is dus terecht gericht tegen [de stichting] . Daaruit volgt ook dat [de Foundation] geen partij (meer) is bij de overeenkomst met Esdégé. Dat [de Foundation] in sommige artikelen van de Onderaannemingsovereenkomst van 12 november 2015 nog wel wordt genoemd als contractspartij, berust duidelijk op een verschrijving en vergissing.
4.9.
De opzegging van de Zorgovereenkomst door Esdégé is blijkens eerdergenoemde brief van 3 juni 2025 gericht aan [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] . Dat is terecht, omdat op de zitting is gebleken dat [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] beschermingsbewindvoerders zijn over de goederen die toebehoren aan [onderbewindgestelde] .
Esdégé had een voldoende grond voor opzegging van de Onderaannemingsovereenkomst
4.10.
Uit artikel 9.2 van de Onderaannemingsovereenkomst volgt dat een eerste vereiste voor opzegging door Esdégé is dat [de stichting] een wezenlijke verplichting uit die overeenkomst niet nakomt.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat Esdégé voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [de stichting] een wezenlijke verplichting uit die overeenkomst niet is nagekomen.
4.12.
Esdégé heeft ter onderbouwing van de opzegging verwezen naar het rapport van onderzoeksbureau Quasir van 21 november 2024. In dat rapport wordt uitvoerig en gedetailleerd uiteengezet dat de zorgverlening aan [onderbewindgestelde] op veel punten niet voldoet aan de wettelijke standaarden en dat op verschillende onderdelen niet wordt voldaan aan een veilige zorgrelatie en een optimaal ontwikkelklimaat. Verder is in het rapport toegelicht dat de aangetroffen verbeterpunten veelomvattend zijn en in de bestaande zorgconstructie niet realiseerbaar, en dat mede vanwege de aard daarvan het dringende advies wordt gegeven om de zorgconstructie te stoppen.
4.13.
Gelet op dit rapport kon Esdégé naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie komen dat [de stichting] de wezenlijke verplichting uit de Onderaannemingsovereenkomst niet is nagekomen. Uit dat rapport blijkt immers duidelijk dat [de stichting] de kern van de verplichting van artikel 1.1 van de Onderaannemingsovereenkomst niet nakomt, te weten het verlenen van voldoende deugdelijke zorg ten behoeve van [onderbewindgestelde] .
4.14.
De rechtbank is anders dan [eisers] van oordeel dat uit het rapport van Quasir ook blijkt op welke concrete punten de zorgverlening niet deugdelijk is. In het rapport worden in dat kader twintig adviezen gegeven die allemaal zijn voorzien van een concrete en feitelijke onderbouwing. Daarbij gaat het onder meer om een geweldsincident op 16 april 2024, het niet op orde zijn van het cliëntdossier conform de richtlijnen, het ontbreken van een werkwijze conform de Wet zorg en dwang, het niet consequent melden van incidenten, de afwezigheid van een systematische evaluatie van medicatie, het ontbreken van overleg over het slaapprotocol, het ontbreken van ontwikkeling in de dagbesteding, het ontbreken van een actueel ondersteuningsplan, het ontbreken van iedere toetsing van het voedingspatroon, het ontbreken van orde in het vastleggen van afspraken en besprekingen, het ontbreken van een open overlegstructuur, en onduidelijkheid over de inzet van [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] en hun ‘dubbelrol’ als professioneel zorgverleners en ouders.
4.15.
[eisers] hebben het standpunt ingenomen dat het rapport van Quasir niet deugdelijk is en geen grond kan zijn voor opzegging, omdat medewerkers van Esdégé direct betrokken zijn bij het onderzoek en het opstellen van het rapport, omdat delen van het rapport zijn zwartgelakt en omdat het rapport pas in maart 2025 met hen is gedeeld. De rechtbank volgt dat standpunt niet. [eisers] hebben de inhoudelijke adviezen en kritiekpunten uit het rapport van Quasir niet weersproken, althans niet gemotiveerd. Ook de hiervoor genoemde concrete en feitelijke onderbouwing in het rapport is in wezen niet betwist. De enkele stelling dat de adviezen of conclusies in het rapport onjuist zijn, is daarvoor niet genoeg. Gelet daarop is de omstandigheid dat medewerkers van Esdégé zijn betrokken bij het onderzoek of het rapport, onvoldoende reden om aan dit rapport geen waarde toe te kennen of de conclusies in dat rapport voor onjuist te houden. Datzelfde geldt voor het feit dat bepaalde passages in het rapport om redenen van privacy zijn zwartgelakt, omdat die omstandigheid niet kan afdoen aan de feitelijke en concrete bevindingen in het rapport. Ook het gegeven dat [eisers] pas in maart 2025 kennis hebben genomen van het rapport is geen reden om aan dat rapport voorbij te gaan. Overigens worden alle concrete adviezen van het rapport al genoemd in de opzeggingsbrief van 22 november 2024.
de eigen rol en verantwoordelijkheid van Esdégé staat niet in de weg aan opzegging
4.16.
[eisers] stellen terecht dat Esdégé als ‘hoofdaannemer’ ook zelf een verantwoordelijkheid heeft in het kader van de Onderaannemingsovereenkomst. Dat volgt uit artikel 3.1 van de Onderaannemingsovereenkomst, waarin staat dat partijen samen een kwaliteitsteam zullen formeren, waarin deskundigen van Esdégé en [de stichting] zitting hebben, met het doel de kwaliteit van de zorg te ondersteunen en te waarborgen.
4.17.
Echter, de verantwoordelijkheid voor de zorgverlening als zodanig ligt niet in de eerste plaats bij Esdégé, maar bij [de stichting] . Uit artikel 1.1. van de Onderaannemingsovereenkomst volgt immers nadrukkelijk dat [de stichting] zich verplicht om de zorg te verlenen, zowel wat betreft het verblijf, de begeleiding, de persoonlijke verzorging, de verpleging, de behandeling als de dagbesteding. En in eerdergenoemd artikel 3.1 van de Onderaannemingsovereenkomst wordt weliswaar een gezamenlijke verplichting ten aanzien van de waarborging van de kwaliteit in het leven geroepen, maar daar wordt ook expliciet genoemd dat het doel daarvan is om de kwaliteit van
“de door [de stichting] verleende zorg”te ondersteunen en te waarborgen.
4.18.
Esdégé heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat zij haar verplichting op grond van artikel 3.1 van de Onderaannemingsovereenkomst, om de kwaliteit van de door [de stichting] verleende zorg te ondersteunen en te waarborgen, is nagekomen.
4.19.
In een gesprek op 29 april 2024 met [de stichting] , [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] heeft Esdégé al zorgen geuit over de kwaliteit van zorg en erop gewezen dat zorginhoudelijke adviezen en aanwijzingen van de orthopedagogen met enige regelmaat niet of slechts gedeeltelijk worden opgevolgd of betwist. In dat gesprek heeft Esdégé aangedrongen op een verbetertraject van [de stichting] , dat over een periode van drie maanden concrete en positieve resultaten moet opleveren. Daarbij is ondersteuning van de manager kwaliteit van Esdégé aangeboden.
4.20.
In de hiervoor genoemde brief van 1 mei 2024 heeft Esdégé aan [de stichting] meegedeeld dat de kwaliteit van de zorg onvoldoende geborgd is en dat zij daarnaar onderzoek zal laten doen door een extern bureau. Ook heeft Esdégé in die brief laten weten dat [de stichting] in de gelegenheid wordt gesteld om de kwaliteit van de zorg sterk te verbeteren en wordt [de stichting] opgeroepen daartoe samen met de door Esdégé beschikbaar gestelde gedragsdeskundige en adviseur een plan van aanpak op te stellen, en tweewekelijks te rapporteren.
4.21.
Na 1 mei 2024 heeft onderzoeksbureau Quasir in het kader van eerdergenoemd onderzoek in de periode van 30 mei 2024 tot 25 juli 2024 gesprekken gevoerd met verschillende betrokkenen, waarna het onderzoeksrapport door Quasir is opgesteld op 21 november 2024. Na de opzegging door Esdégé met de brief van 22 november 2024 en de daartegen gerichte bezwaren, heeft Esdégé nog regelmatig overleg gehad met [de stichting] , [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] over de kwaliteit van zorg en mogelijke alternatieven voor de zorgverlening. Er hebben onder meer gesprekken plaatsgevonden op 13 maart 2025, 19 maart 2025, 3 april 2025, 8 april 2025 en 15 april 2025.
4.22.
Uit de hiervoor genoemde gang van zaken blijkt voldoende dat Esdégé invulling heeft gegeven aan haar verplichting om de kwaliteit van de door [de stichting] verleende zorg te ondersteunen en te waarborgen. Met het gesprek van 29 april 2024 en de brief van 1 mei 2024 heeft Esdégé die kwaliteit nadrukkelijk aan de orde gesteld en ook de opdracht voor het onderzoek door Quasir was daarop gericht. Daarbij is ook ondersteuning aangeboden door Esdégé. Ook de opzegging van de Onderaannemingsovereenkomst en het onderzoeken van mogelijke alternatieven voor de zorgverlening stonden uiteindelijk in het kader van de waarborging van de kwaliteit van de zorg.
Esdégé heeft herhaald verzocht om nakoming en daarvoor een redelijke termijn gegeven
4.23.
Verder brengt artikel 9.2 van de Onderaannemingsovereenkomst mee dat opzegging pas mogelijk is als [de stichting] ondanks herhaald verzoek en onder het stellen van een redelijke termijn daartoe een wezenlijke verplichting uit die overeenkomst niet nakomt.
4.24.
Hiervoor is al overwogen dat Esdégé in een gesprek van 29 april 2024 zorgen heeft geuit over de kwaliteit van de zorg en heeft aangedrongen op een verbetertraject dat over een periode van drie maanden concrete en positieve resultaten moet opleveren. In de hiervoor genoemde brief van 1 mei 2024 heeft Esdégé [de stichting] in de gelegenheid gesteld om de kwaliteit van de zorg sterk te verbeteren, om een plan van aanpak op te stellen en tweewekelijks te rapporteren. In de hiervoor genoemde gesprekken nadien is opnieuw over de kwaliteit van zorg en mogelijke alternatieven gesproken. Vast staat dat er geen plan van aanpak is opgesteld en niet tweewekelijks is gerapporteerd.
4.25.
Ook heeft Esdégé voldoende aannemelijk gemaakt dat er tot op heden geen wezenlijke verandering tot stand is gekomen in de kwaliteit van de zorgverlening. De rechtbank verwijst daarvoor naar de overwegingen onder 4.10 tot 4.15. [eisers] hebben ook niet gesteld of gemotiveerd op welke punten van het rapport van Quasir wel verbetering is bereikt of ingezet. In feite is de huidige situatie niet anders dan in april en mei 2024. Daarvan uitgaande moet worden geconcludeerd dat [de stichting] ondanks herhaald verzoek daartoe wezenlijke verplichtingen uit de Onderaannemingsovereenkomst niet is nagekomen binnen een redelijke termijn.
4.26.
[eisers] hebben nog gesteld dat geen redelijke termijn voor nakoming is gegeven, omdat – zo begrijpt de rechtbank – Esdégé op 22 november 2024 al heeft opgezegd en daarmee een reële mogelijkheid tot nakoming ontbreekt. De rechtbank ziet dat anders. De gelegenheid voor nakoming binnen een redelijke termijn is al gegeven in het gesprek van 29 april 2024 en de brief van 1 mei 2024. En ook na de opzegging op 22 november 2024 had [de stichting] nog mogelijkheden om ‘het tijd te keren’, zoals blijkt uit de verschillende gesprekken nadien en de verlenging van de opzegtermijn tot 4 september 2025.
Esdégé heeft een redelijke opzegtermijn in acht genomen
4.27.
Volgens artikel 9.2 van de Onderaannemingsovereenkomst moet bij opzegging ook een redelijke opzegtermijn in acht worden genomen.
4.28.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Esdégé een redelijke opzegtermijn in acht genomen. De aanvankelijke opzegging in de brief van 22 november 2024 per 1 januari 2025 is immers verlengd tot 4 september 2025. Dat is in de gegeven omstandigheden een redelijke termijn, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat [de stichting] al in het gesprek van 29 april 2024 en de brief van 1 mei 2024 nadrukkelijk is gewezen op de gebreken in de zorgverlening en de noodzaak tot verbetering.
het beroep van [eisers] op het Voorschrift Wlz leidt niet tot een ander oordeel
4.29.
Het hiervoor aangehaalde Voorschrift Wlz is van toepassing op de overeenkomst tussen Esdégé en VGZ, en niet rechtstreeks van toepassing op de Onderaannemingsovereenkomst tussen Esdégé en [de stichting] . De rechtbank kan in het midden laten of het Voorschrift Wlz ook betekenis heeft voor de beoordeling van de opzegging door Esdégé van de Onderaannemingsovereenkomst. Ook als dat het geval zou zijn – bijvoorbeeld omdat sprake is van een derdenbeding – leidt zo’n beoordeling niet tot een ander oordeel, omdat de gronden voor opzegging in het Voorschrift Wlz per saldo niet afwijken van de opzeggingsgronden in de Onderaannemingsovereenkomst.
4.30.
In artikel 6.3 van het Voorschrift Wlz staat dat zorgbeëindiging, in het geval er nog wel een actuele zorgvraag aanwezig is, slechts mogelijk is bij zwaarwegende redenen en alleen onder bijzondere omstandigheden. Als voorbeelden van zwaarwegende redenen worden in het Voorschrift Wlz genoemd een onherstelbaar verstoorde vertrouwensrelatie en het niet nakomen van essentiële verplichtingen of regels, na herhaaldelijk (schriftelijk) aandringen of waarschuwen door de zorgaanbieder. Dit criterium is in wezen niet anders dan de opzeggingsgrond van artikel 9.2 van de Onderaannemingsovereenkomst.
4.31.
In artikel 6.3 van het Voorschrift Wlz staat ook dat de zorgaanbieder bij een voorgenomen stopzetting van zorg hiervan schriftelijk melding aan de cliënt moet doen, de cliënt ten minste eenmaal schriftelijk moet hebben gewaarschuwd en bij deze waarschuwing moet hebben aangegeven dat stopzetting van de zorg wordt ingezet als de ontstane situatie niet verandert. Dat stappenplan komt in essentie overeen met de eisen van artikel 9.2 van de Onderaannemingsovereenkomst, namelijk dat Esdégé herhaald moet hebben verzocht om nakoming en daarvoor een redelijke termijn moet hebben gegeven.
4.32.
Verder vereist artikel 6.3 van het Voorschrift Wlz dat Esdégé een met redenen omklede en onderbouwde melding moet doen aan VGZ van de voorgenomen zorgbeëindiging. Uit de stukken, en met name de e-mail van VGZ van 27 mei 2025 en de brief van haar advocaat van 19 september 2025, blijkt dat daaraan is voldaan.
4.33.
De rechtbank merkt nog op dat, anders dan [eisers] stellen, voor een rechtsgeldige opzegging van de Onderaannemingsovereenkomst niet is vereist dat VGZ daarvoor toestemming geeft. Een dergelijk vereiste volgt niet uit het Voorschrift Wlz of de Wlz, en evenmin uit de Onderaannemingsovereenkomst.
Esdégé heeft ook de Zorgovereenkomst rechtsgeldig opgezegd
4.34.
Vast staat dat er geen schriftelijke Zorgovereenkomst is, maar alleen een mondelinge overeenkomst. Er is dus ook geen specifieke afspraak gemaakt over de opzegging of
beëindiging van de Zorgovereenkomst.
4.35.
De Zorgovereenkomst is een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij de wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging. In dat geval geldt dat die overeenkomst in beginsel opzegbaar is, maar dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. [1] Die eisen kunnen ook meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen
4.36.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en inhoud van de Zorgovereenkomst en de samenhang met de Onderaannemingsovereenkomst mee dat de Zorgovereenkomst alleen dan kan worden opgezegd als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Als de Zorgovereenkomst moet worden aangemerkt als een geneeskundige behandelingsovereenkomst, zoals VGZ op de zitting heeft gesteld, geldt hetzelfde, omdat een dergelijke overeenkomst op grond van de wet alleen om gewichtige redenen kan worden opgezegd. [2]
4.37.
Hiervoor is overwogen dat Esdégé een voldoende zwaarwegende grond had voor opzegging van de Onderaannemingsovereenkomst, omdat [de stichting] een wezenlijke verplichting uit die overeenkomst niet is nagekomen, te weten het verlenen van deugdelijke zorg. Die zwaarwegende grond voor opzegging kan niet zonder meer van toepassing zijn ten aanzien van de Zorgovereenkomst, omdat [de stichting] daarbij geen directe partij is en Esdégé zelf als zorgverlener moet worden aangemerkt in het kader van de Zorgovereenkomst.
4.38.
Echter, vast staat dat de Zorgovereenkomst uitsluitend is aangegaan en wordt uitgevoerd in het kader van de zorgconstructie met [de stichting] . De Zorgovereenkomst is in de bijzondere situatie van deze zorgconstructie daarom onlosmakelijk verbonden met de Onderaannemingsovereenkomst. Dat volgt ook uit de omstandigheid dat de zorgverlening feitelijk plaatsvindt door [de stichting] en dat de verantwoordelijkheid voor de zorgverlening bij [de stichting] ligt, en niet bij Esdégé, zoals hiervoor is overwogen.
4.39.
Gelet op de onlosmakelijke samenhang tussen de Onderaannemingsovereenkomst en de Zorgovereenkomst levert de opzegging van de Onderaannemingsovereenkomst naar het oordeel van de rechtbank ook een voldoende zwaarwegende grond op voor Esdégé voor opzegging van de Zorgovereenkomst. Er valt ook niet in te zien hoe de specifieke Zorgovereenkomst zoals die is aangegaan in het kader van de zorgconstructie met [de stichting] kan voortbestaan los van die zorgconstructie. Daar waar de zorg binnen die zorgconstructie tekortschiet, kan van Esdégé in redelijkheid dan ook niet worden verlangd dat zij de Zorgovereenkomst in het kader van die zorgconstructie blijft voortzetten. Dat zou anders kunnen zijn als de zorg kan worden voortgezet met een andere zorgverlener of binnen een andere zorgconstructie, bijvoorbeeld intramuraal in een instelling van Esdégé, maar daarvan was geen sprake ten tijde van de opzegging of ten tijde van de datum waartegen is opgezegd per 4 september 2025.
4.40.
Ook voor de Zorgovereenkomst geldt dat Esdégé een redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen. De rechtbank verwijst naar wat daarover hiervoor is overwogen over de opzegtermijn van de Onderaannemingsovereenkomst.
4.41.
Verder geldt ook hier dat een beroep op het Voorschrift Wlz niet tot een ander resultaat leidt, zoals volgt uit de overwegingen onder punt 4.29 tot 4.33.
Esdégé heeft geen afspraken gemaakt om de continuïteit van de zorg te realiseren
4.42.
Op grond van artikel 9.4 van de Onderaannemingsovereenkomst geldt dat Esdégé ook in geval van een in beginsel rechtsgeldige opzegging, bij de beëindiging van de overeenkomst afspraken moet maken om de continuïteit van de zorg te realiseren.
4.43.
Diezelfde eis vloeit ook voort uit artikel 6.3 van het Voorschrift Wlz, waarin is bepaald dat Esdégé bij een zorgbeëindiging een voorstel moet doen hoe de continuïteit van de zorgverlening is geregeld totdat de zorg is overgedragen aan een andere zorgaanbieder en zich maximaal moet inspannen om een andere zorgaanbieder bereid te vinden tot overname van de zorg voor de betreffende cliënt.
4.44.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de rechtbank ervan uitgaat dat de hiervoor genoemde eisen zowel gelden voor de beëindiging van de Onderaannemingsovereenkomst als de Zorgovereenkomst, gelet op de samenhang tussen beide overeenkomsten.
4.45.
Vast staat dat Esdégé geen afspraken heeft gemaakt met [eisers] , [de stichting] of [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] om de continuïteit van de zorg te realiseren en ook geen concreet voorstel heeft gedaan hoe de continuïteit van de zorgverlening is geregeld totdat de zorg is overgedragen aan een andere zorgaanbieder. Het ligt in de eerste plaats op de weg van Esdégé om zorg te dragen voor totstandkoming van die afspraken, omdat zij de Onderaannemingsovereenkomst en de Zorgovereenkomst heeft opgezegd.
4.46.
Dit betekent dat Esdégé de Onderaannemingsovereenkomst en de Zorgovereenkomst op zichzelf rechtsgeldig heeft opgezegd, maar dat zij nog niet tot beëindiging daarvan mocht overgaan, omdat nog geen afspraken zijn gemaakt om de continuïteit van de zorg te realiseren.
er is onvoldoende gebleken dat [eisers] afspraken onmogelijk maken
4.47.
Naar de rechtbank begrijpt, stelt Esdégé zich op het standpunt van haar niet gevergd kan worden om artikel 9.4 van de Onderaannemingsovereenkomst na te komen, omdat [eisers] het maken van afspraken om de continuïteit van de zorg te realiseren onmogelijk maken en daarbij zelf in verzuim zijn.
4.48.
De rechtbank volgt dat standpunt niet.
4.49.
Uit de stukken blijkt dat partijen regelmatig met elkaar hebben gesproken over alternatieven voor de zorgverlening door [de stichting] . Uit de verslagen van de gesprekken van 13 maart 2025, 19 maart 2025, 3 april 2025 en 8 april 2025 blijkt dat verschillende scenario’s zijn besproken, maar dat daarover geen overeenstemming is bereikt.
4.50.
Ook in de correspondentie tussen de advocaten van partijen is de continuïteit van de zorg aan de orde gekomen, waaronder de mogelijkheid dat de zorgconstructie wordt voortgezet met een andere zorgverlener, te weten Odion. In dat kader heeft de advocaat van [eisers] in een e-mail van 12 augustus 2025 aan de advocaat van Esdégé meegedeeld dat [eisers] bezig zijn met een overname door Odion, maar dat dit nog niet in een maand geregeld kan worden. In reactie daarop heeft de advocaat van Esdégé in een e-mail van 14 augustus 2025 onder meer laten weten dat Esdégé meent dat de overname door Odion te veel tijd kost, mede omdat al een jaar bekend is dat Esdégé stopt met de zorgverlening. Ook is in die reactie opgemerkt dat Esdégé naast een volledige overname van de zorg per 1 januari 2026 (of eerder) inzet van [de stichting] verwacht om de zogenoemde ‘kassiersfunctie’ op korte termijn over te zetten naar Odion. In die e-mail staat verder dat Esdégé op korte termijn concrete actie en duidelijkheid wil over een overname door Odion en dat zij hooguit nog bereid is om de opzeggingstermijn met een maand te verlengen.
4.51.
Uit het voorgaande blijkt dat partijen hebben gediscussieerd over afspraken ten aanzien van de continuïteit van de zorg, maar het bevestigt tevens dat daarover geen afspraken tot stand zijn gekomen. Ook blijkt daaruit onvoldoende dat [eisers] het maken van afspraken onmogelijk hebben gemaakt. De rechtbank kan evenmin vaststellen dat zich de situatie voordoet dat [eisers] in verzuim zijn, doordat zij de nakoming door Esdégé van artikel 9.4 van de Onderaannemingsovereenkomst zouden verhinderen of doordat zij de daartoe noodzakelijke medewerking niet zouden verlenen. [3]
4.52.
De rechtbank stelt verder vast dat Esdégé [eisers] niet expliciet heeft gewezen op nakoming van artikel 9.4 van de Onderaannemingsovereenkomst en [eisers] zijn in dit verband dus ook niet in gebreke gesteld met een schriftelijke aanmaning waarbij hen een termijn voor de nakoming is gesteld. [4] Gelet op de aard en het belang van nakoming van artikel 9.4 van de Onderaannemingsovereenkomst was een dergelijke ingebrekestelling wel vereist.
4.53.
Esdégé heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat een ingebrekestelling in dit geval niet vereist was en geen zin had, omdat uit de houding van [eisers] zou blijken dat aanmaning nutteloos is, dan wel uit mededelingen van [eisers] kon worden afgeleid dat zij niet wilden meewerken en tekort zouden schieten. [5] Dat volgt de rechtbank niet. Uit de hiervoor genoemde correspondentie blijkt dat [eisers] wel wilden meewerken aan het maken van afspraken om de continuïteit van de zorg te realiseren, zij het dat daarvoor meer tijd nodig was volgens [eisers] Het enkele feit dat [eisers] niet zijn ingegaan op het aanbod van Esdégé voor intramurale zorg, is onvoldoende om te oordelen dat [eisers] nakoming van artikel 9.4 van de Onderaannemingsovereenkomst verhinderen of al in verzuim zijn zonder ingebrekestelling.
ook een belangenafweging brengt mee dat de zorg nog moet worden voortgezet
4.54.
Hiervoor is geoordeeld dat Esdégé nog niet tot beëindiging de Onderaannemingsovereenkomst en de Zorgovereenkomst mocht overgaan, omdat er nog geen afspraken zijn gemaakt om de continuïteit van de zorg te realiseren, zoals vereist volgens artikel 9.4 van de
Onderaannemingsovereenkomst.
4.55.
De rechtbank ziet in het verlengde daarvan ook in het kader van een belangenafweging in dit kort geding aanleiding om te oordelen dat Esdégé nog niet tot definitieve beëindiging van de Onderaannemingsovereenkomst en de Zorgovereenkomst mag overgaan. Op de zitting is gebleken dat de beëindiging van de Onderaannemingsovereenkomst en de Zorgovereenkomst feitelijk tot gevolg heeft dat er in de maand oktober 2024 en daarna geen financiële middelen meer zijn voor de zorgverlening aan [onderbewindgestelde] en dat voortzetting van die zorgverlening dus binnenkort feitelijk nagenoeg onmogelijk wordt. Dat is in de huidige omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarbij weegt mee dat uit het Voorschrift Wlz en de Wlz volgt dat er ook bij opzegging en beëindiging van de zorgrelatie een grote verantwoordelijkheid rust op Esdégé om de continuïteit van de zorgverlening te regelen en te waarborgen, en dat Esdégé zich maximaal moet inspannen om een andere zorgaanbieder bereid te vinden tot overname van de zorg.
de Onderaannemings-en Zorgovereenkomst moeten worden nagekomen tot 1 april 2026
4.56.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de Onderaannemings- en Zorgovereenkomst door Esdégé moet worden voortgezet tot uiterlijk 1 april 2026. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.
4.57.
Op de zitting en uit de stukken blijkt dat de hiervoor genoemde zorgaanbieder Odion bezig is met een onderzoek naar de mogelijkheden om de zorgconstructie over te nemen en dat dit mogelijk zou kunnen worden gerealiseerd rond 1 januari 2026. Daarnaast heeft Esdégé op de zitting toegelicht dat er nog steeds de mogelijkheid bestaat dat er voor [onderbewindgestelde] intramurale zorg kan worden geregeld in een instelling van Esdégé, waarbij de verwachting is dat op termijn van ongeveer een half jaar een plek kan worden gevonden, dus uiterlijk rond 1 april 2026. De rechtbank onderkent dat [eisers] vooralsnog niet bereid zijn geweest om in te gaan op een aanbod voor intramurale zorg, maar de rechtbank kan op dit moment ook niet uitsluiten dat [eisers] daartoe alsnog bereid blijken te zijn, al dan niet naar aanleiding van dit vonnis of vanwege andere ontwikkelingen. Overigens is ook denkbaar dat het onderzoek naar de overname van de zorgconstructie ertoe leidt dat die overname pas tussen 1 januari 2026 en 1 april 2026 gerealiseerd kan worden.
4.58.
De rechtbank zal Esdégé daarom veroordelen tot nakoming van de Onderaannemings- en Zorgovereenkomst tot uiterlijk 1 april 2026. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan die veroordeling een dwangsom te verbinden, omdat de rechtbank gelet op de houding en verklaringen van Esdégé op de zitting aanneemt dat de veroordeling in dit vonnis ook zonder een dwangsom zal worden nageleefd.
VGZ moet zorggelden beschikbaar blijven stellen tot 1 april 2026
4.59.
VGZ zal worden veroordeeld tot het beschikbaar blijven stellen van het zorgbudget/ de zorggelden (de meerzorg) van [onderbewindgestelde] tot uiterlijk 1 april 2026, omdat uit het voorgaande volgt dat Esdégé wordt veroordeeld tot nakoming van de Onderaannemings- en Zorgovereenkomst tot uiterlijk 1 april 2026. De rechtbank overweegt in dat kader dat VGZ op de zitting heeft verklaard dat zij gehouden is om zorggelden beschikbaar te blijven stellen als de Onderaannemings- en Zorgovereenkomst met Esdégé wordt voortgezet. Dat laatste is het geval, zoals volgt uit dit vonnis.
4.60.
Ook de vordering om VGZ te veroordelen tot betaling/vergoeding van de zorggelden (meerzorg) aan Esdégé en [eisers] is daarom toewijsbaar, tot uiterlijk 1 april 2026.
4.61.
De rechtbank ziet geen aanleiding aan de veroordeling van VGZ een dwangsom te verbinden, omdat ook ten aanzien van VGZ wordt aangenomen dat zij uitvoering geeft aan dit vonnis en overigens aan de veroordeling tot betaling van een geldsom geen dwangsom kan worden verbonden.
de vordering tot afgifte van stukken wordt afgewezen
4.62.
[eisers] vorderen veroordeling van Esdégé en VGZ tot afgifte van stukken.
4.63.
De vordering tot afgifte van een ondertekende versie van de Zorgovereenkomst wordt afgewezen, omdat niet (meer) ter discussie staat dat er geen ondertekende versie is van die overeenkomst. De vordering tot afgifte van een brief of e-mail van VGZ aan Esdégé waaruit de toestemming van VGZ zou blijken om de zorg(constructie) te beëindigen, wordt afgewezen, omdat een dergelijke brief of e-mail niet bestaat, die toestemming niet is vereist, en VGZ de relevante correspondentie al heeft overgelegd.
4.64.
De vordering tot afgifte van een volledige en authentieke (niet zwart gelakte) versie van het rapport van Quasir wordt afgewezen, omdat [eisers] daarbij geen (spoedeisend) belang hebben. In deze zaak wordt immers al een uitspraak gedaan in dit vonnis. Voor zover [eisers] stellen dat zij belang hebben bij afgifte met het oog op een bodemprocedure, kunnen zij daarvoor de wettelijke mogelijkheden voor inzage, afschrift of uittreksel van gegevens gebruiken. [6]
de vordering tot betaling van een voorschot op een schadevergoeding wordt afgewezen
4.65.
[eisers] vorderen dat Esdégé en VGZ worden veroordeeld tot betaling van een voorschot op de door [eisers] geleden schade als gevolg van het door Esdégé en VGZ tekortschieten in de verplichtingen die op hen rusten.
4.66.
De rechtbank wijst deze vordering af. Dit kort geding leent zich niet voor een beoordeling of toewijzing van deze geldvordering. Overigens volgt uit dit vonnis dat Esdégé niet in alle opzichten is tekortgeschoten in haar verplichtingen en rechtsgeldig heeft opgezegd, terwijl VGZ geen contractuele verplichting jegens [eisers] heeft en daarin dus ook niet tekort kan zijn geschoten. Daarnaast kan in beginsel ook nog geen schade zijn geleden door [eisers] , omdat uit dit vonnis volgt dat de Onderaannemings- en Zorgovereenkomst moeten worden voortgezet tot uiterlijk 1 april 2026.
partijen moeten de eigen proceskosten betalen
4.67.
Partijen worden over en weer op punten in het ongelijk gesteld en de rechtbank zal daarom bepalen dat partijen hun eigen proceskosten moet betalen.
het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.68.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de veroordelingen in dit vonnis uitgevoerd moeten worden, ook als in hoger beroep wordt gegaan.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank:
5.1.
veroordeelt Esdégé tot nakoming van de overeenkomst van onderaanneming en de zorg- en dienstverleningsovereenkomst rondom [onderbewindgestelde] , uiterlijk tot 1 april 2026;
5.2.
veroordeelt VGZ tot het beschikbaar blijven stellen van het zorgbudget/de zorggelden (de meerzorg) van [onderbewindgestelde] in het kader van de continuering van de zorg(constructie) en dienstverlening tussen partijen, en veroordeelt VGZ tot betaling/vergoeding van de zorggelden (meerzorg) aan Esdégé, [onderbewindgestelde] en [de stichting] , uiterlijk tot 1 april 2026;
5.3.
wijst de vorderingen voor het overige af;
5.4.
bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten betalen;
5.5.
verklaart de veroordeling onder 5.1 en 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op
1 oktober 2025 (bij vervroeging).

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 2 februari 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2018:141 (
2.Artikel 7:460 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
3.Zie artikel 6:58 BW.
4.Zie artikel 6:82 lid 1 BW.
5.Zie artikel 6:82 lid 2 BW en artikel 6:83 onder c BW.
6.Zie artikel 194 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.