ECLI:NL:RBNHO:2025:12498

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
370943
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vervangende toestemming voor verkoop van onroerende zaak in kort geding

Op 28 oktober 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in Haarlem een vonnis in kort geding uitgesproken in de zaak tussen [eiser] en [gedaagde]. [Eiser] vorderde vervangende toestemming voor de verkoop van een woning, die onderdeel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap met [gedaagde]. De woning was door [eiser] op 10 juli 2003 in eigendom verkregen, maar na zijn huwelijk met [gedaagde] op 2 mei 2006 werd deze woning onderdeel van de huwelijksgemeenschap. Na de echtscheiding op 24 november 2009, waarbij de rechtbank bepaalde dat alle baten en lasten aan [eiser] werden toegescheiden, heeft [eiser] de woning op 26 augustus 2025 verkocht. Echter, op 22 oktober 2025 kon hij de woning niet leveren omdat [gedaagde] niet meewerkte. [Eiser] heeft [gedaagde] aangeschreven, maar zij heeft niet gereageerd. De voorzieningenrechter oordeelde dat er een spoedeisend belang was, omdat [eiser] zonder medewerking van [gedaagde] niet kon voldoen aan zijn leveringsverplichting. De rechter bevestigde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat Nederlands recht van toepassing is, gezien de nationaliteit van de partijen en hun verblijfplaats. De voorzieningenrechter verleende [eiser] vervangende toestemming voor de verkoop van de woning en machtigde hem tot de levering van de woning. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/370943 / KG ZA 25-671
Vonnis in kort geding van 28 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J. Jong,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de mondelinge behandeling, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
  • het tijdens de mondelinge behandeling tegen [gedaagde] verleende verstek.

2.Het geschil

2.1.
[eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor zover vereist [eiser] alsnog vervangende toestemming te verlenen voor de verkoop van de woning aan de [adres] te [plaats 1], kadastraal bekend gemeente [plaats 1], sectie B, (zoals ter zitting besproken leest de voorzieningenrechter: complexaanduiding [nummer 1], appartementsindex [nummer 2], uitmakende het 1/41e onverdeeld aandeel in de gemeenschap, bestaande uit een gebouw met grond en aanhorigheden, ten tijde van de splitsing kadastraal bekend gemeente [plaats 1], sectie B) nummer [nummer 3], groot negen are negentig centiare (9a 90ca), voor de koopsom van € 267.500 k.k. en voorts [eiser] machtiging te verlenen tot de levering van die onroerende zaak op de in de conceptakte van notaris [notaris] vermelde voorwaarden.
te bepalen dat het te wijzen vonnis ex artikel 3:300 lid 1 Burgerlijk Wetboek in de plaats treedt van de door [gedaagde] ter zake de akte van levering van de onder A) bedoelde woning te verrichten (rechts)handelingen.
[gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
2.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij de woning aan de [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning) op 10 juli in 2003 in eigendom heeft verkregen. Hij was destijds ongehuwd en geen geregistreerd partner. Hij is vervolgens op 2 mei 2006 in gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde], waardoor de woning onderdeel is geworden van de huwelijksgemeenschap. Op 24 november 2009 heeft de rechtbank Haarlem de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat is gebleken dat met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen partijen overeenstemming bestond dat aan de man alle baten en lasten van deze gemeenschap werden toegescheiden. De rechtbank heeft partijen bevolen tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap over te gaan. [eiser] was zich er niet van bewust dat voor de verdeling van de woning nog aanvullende handelingen waren vereist. Hij heeft de woning op 26 augustus 2025 verkocht, maar kon deze op 22 oktober 2025 niet leveren, omdat toestemming en medewerking van [gedaagde] ontbrak. [gedaagde] is per brief aangeschreven maar heeft daar niet op gereageerd. [gedaagde] is op grond van de beschikking van de rechtbank gehouden om zonder bijzondere voorwaarden haar medewerking aan de verdeling te verlenen. Voor zover zij al aansprakelijk zou zijn voor de hypothecaire lening, dan is van belang dat de lening bij de verkoop van de woning volledig zal worden ingelost, aldus [eiser].
2.3.
Gedaagde is niet verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd.

3.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.
Door de omstandigheid dat [eiser] de Nederlandse nationaliteit bezit en [gedaagde] de Indonesische, heeft de zaak een internationaal karakter, zodat de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt en welk recht van toepassing is.
3.2.
Die eerste vraag wordt bevestigend beantwoord, omdat partijen ten tijde van het aanbrengen van deze zaak beiden hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Omdat de gevraagde voorziening ziet op medewerking aan de verkoop en levering van een woning die onderdeel is van de ontbonden, nog niet verdeelde, huwelijksgoederengemeenschap en partijen hun eerste gewone verblijfplaats na huwelijkssluiting – naar de voorzieningenrechter als vaststaand aanneemt – in Nederland hadden, is Nederlands recht van toepassing.
Spoedeisend belang
3.3.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op een bodemprocedure. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
3.4.
Het spoedeisend belang is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven, omdat [eiser] zonder medewerking van [gedaagde] niet kan voldoen aan de leveringsverplichting van de woning en de koper hem op 22 oktober 2025 in gebreke heeft gesteld, zodat aan een inhoudelijke beoordeling wordt toegekomen.
Ten aanzien van de vorderingen
3.5.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in kort geding de rechter een veroordeling tot meewerken aan de overdracht van een onroerende zaak kan uitspreken. [1]
3.6.
Het gevorderde komt de voorzieningenrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
3.7.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
verleent, voor zover vereist, [eiser] vervangende toestemming voor de verkoop van de woning aan de [adres] te [plaats 1], kadastraal bekend gemeente [plaats 1], sectie B, complexaanduiding [nummer 1], appartementsindex [nummer 2], uitmakende het 1/41e onverdeeld aandeel in de gemeenschap, bestaande uit een gebouw met grond en aanhorigheden, ten tijde van de splitsing kadastraal bekend gemeente [plaats 1], sectie B, nummer [nummer 3], groot negen are negentig centiare (9a 90ca), voor de koopsom van € 267.500 k.k.,
4.2.
verleent [eiser] machtiging tot de levering van de onder 4.1 bedoelde woning op de in de conceptakte van notaris [notaris] vermelde voorwaarden,
4.3.
bepaalt dat dit vonnis ex artikel 3:300 lid 1 Burgerlijk Wetboek in de plaats treedt van de door [gedaagde] ter zake de akte van levering van de onder 4.1 bedoelde woning te verrichten (rechts)handelingen,
4.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.
1621

Voetnoten

1.Hoge Raad 21 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:499 en Hoge Raad 2 december 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB6689.