De rechtbank Noord-Holland behandelt een geschil tussen erfgenamen over de afwikkeling van de nalatenschap van hun overleden ouders. Partijen zijn het niet eens over de samenstelling en waarde van de nalatenschap, met name over het ouderlijk huis. De rechtbank brengt de bezittingen en schulden in kaart, waaronder onroerend goed, voertuigen, bankrekeningen, contanten, inboedel, edelmetalen en geldleningen.
De onroerende zaak wordt erkend als onderdeel van de nalatenschap, maar partijen verschillen van mening over de waarde. Daarom benoemt de rechtbank een deskundige makelaar om de waarde te bepalen. Ook wordt vastgesteld dat bepaalde voertuigen, waaronder paardentrailer en aanhangwagen, tot de nalatenschap behoren omdat de vermeende schenkingen onvoldoende zijn onderbouwd.
Verder worden geldleningen van erfgenamen aan de nalatenschap besproken, waarbij de rechtbank partijen opdraagt de exacte schulden in goed overleg te berekenen. Vorderingen over onrechtmatige onttrekkingen en gebruiksvergoedingen worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs. Ook de vordering tot aanpassing van de tekst op de grafsteen wordt afgewezen. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en stelt een nieuwe rolzitting in.