ECLI:NL:RBNHO:2025:12571

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
25/3976
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking omgevingsvergunning bed&breakfast

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan om een eerder verleende omgevingsvergunning voor de exploitatie van een bed&breakfast in een bijgebouw te herroepen en de vergunning alsnog te weigeren.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op 20 oktober 2025. Verzoeker stelde dat de weigering van de vergunning grote onomkeerbare financiële gevolgen heeft, omdat hij afhankelijk is van de inkomsten uit de bed&breakfast voor de financiering van een nieuw te bouwen woning en de huur van een vervangende woning. Tevens wees verzoeker op persoonlijke omstandigheden zoals een recente scheiding en burn-out.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoeker financieel van aard is, maar dat niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een (dreigende) financiële noodsituatie zoals een faillissement. Daarom ontbreekt het spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig, zodat geen voorlopige voorziening wordt getroffen.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3976
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 oktober 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. H. Patang),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan, het college
(gemachtigde: B. de Boer en M. Cornelisse).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [naam 1] uit [plaats] en [naam 2] uit [plaats] (derde-partijen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een bed&breakfast (b&b) in een bijgebouw bij de woning van verzoeker op het perceel met het adres [adres] in [plaats] (het perceel).
1.1.
Het college heeft de gevraagde vergunning met het besluit van 19 december 2024 verleend.
1.2.
Derde-partijen hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Dat is voor het college aanleiding geweest om de verleende vergunning te herroepen en de aangevraagde vergunning alsnog te weigeren. Het college heeft dit gedaan bij besluit van 1 augustus 2025 (het bestreden besluit).
1.3
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om in verband met dat besluit een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigden van het college en derde-partijen.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat het daarvoor vereiste spoedeisende belang naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt. Redengevend hiervoor is het volgende.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel belang is dat niet snel het geval. Als geen sprake is van een (dreigende) financiële noodsituatie, zoals een faillissement, of acute financiële nood, dan neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
4. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat de weigering van de vergunning voor verzoeker grote onomkeerbare financiële gevolgen heeft. Door de weigering vallen de b&b-inkomsten weg, terwijl verzoeker afhankelijk is van die inkomsten voor de financiering van een nieuw te bouwen huis op het perceel en de betaling van huur voor de tijdens die nieuwbouw noodzakelijke vervangende woning. Verzoeker is zeker na een recente scheiding en een burn-out afhankelijk van de inkomsten uit de b&b en lijdt schade als de b&b niet door kan gaan.
5.1.
Uit hetgeen verzoeker heeft gesteld volgt dat verzoekers belang bij de gevraagde voorlopige voorziening financieel van aard is zoals bedoeld onder 3. van deze uitspraak.
5.2.
Omdat niet gesteld noch gebleken is van een (dreigende) financiële noodsituatie, ziet de voorzieningenrechter hierin geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Mogelijk leidt de intrekking van de vergunning wel tot schade voor verzoeker, maar als in beroep blijkt dat het college ten onrechte tot intrekking van de vergunning voor de b&b is overgegaan, dan kan verzoeker deze schade op het college verhalen. Ook hierin ziet de voorzieningenrechter daarom geen grond om een voorlopige voorziening te treffen.
6. Aangezien de voorzieningenrechter van oordeel is dat het vereiste spoedeisende belang ontbreekt, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het betreden besluit evident onrechtmatig is. Op basis van wat door verzoeker is aangevoerd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet
evidentdat het bestreden besluit in beroep geen stand zal kunnen houden.
7. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025 door mr. A.H. de Regt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.