ECLI:NL:RBNHO:2025:12594

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
11763580 \ CV FORM 25-4057
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatieverzoek passagiers na annulering vlucht door vervoerder

In deze zaak hebben de passagiers compensatie aangevraagd van de vervoerder, EasyJet Europe Airline GmbH, vanwege een geannuleerde vlucht van Venetië naar Amsterdam-Schiphol op 25 juli 2023. De vervoerder stelde dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk de doorwerking van vertraging van eerdere vluchten, waardoor de vlucht het nachtregime van Schiphol dreigde te schenden. De kantonrechter oordeelde echter dat de vervoerder niet voldoende had onderbouwd dat het onmogelijk was om de vlucht na het ingaan van het nachtregime uit te voeren. De passagiers betwistten dit en stelden dat het nachtregime niet inhield dat er helemaal geen vluchten meer mochten landen. De kantonrechter concludeerde dat de annulering niet het gevolg was van buitengewone omstandigheden en dat de vervoerder daarom verplicht was om compensatie te betalen. De passagiers kregen een bedrag van € 862,50 toegewezen, inclusief wettelijke rente en proceskosten. De beslissing werd genomen door kantonrechter S.N. Schipper en is op 29 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11763580 \ CV FORM 25-4057
Uitspraakdatum: 29 oktober 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1], wonende te [plaats 2]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]beiden wonende te [plaats 1]
verzoekende partijen
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
De zaak in het kortDe passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk de doorwerking van vertraging van eerdere vluchten, waardoor de vlucht in kwestie het nachtregime van Schiphol dreigde te schenden. Het verweer van de vervoerder slaagt niet omdat hij, ondanks de betwisting van de passagiers, niet heeft toegelicht wat het nachtregime van Schiphol inhoudt en in hoeverre het onmogelijk was om na het ingaan daarvan te landen. Het verzoek van de passagiers wordt toegewezen.

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A);
  • het verweerschrift.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 25 juli 2023 vervoeren van Venetië, Italië, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht EC4071 dan wel EZY4071 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 112,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per persoon. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. [2]

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. [3]
4.3.
De vervoerder heeft, samengevat, aangevoerd dat de vlucht in kwestie niet tijdig kon vertrekken vanwege de doorwerking van de vertraging van een aantal eerdere vluchten en vervolgens in niet meer kon worden uitgevoerd omdat deze het nachtregime van Schiphol zou schenden. De passagiers hebben dit al in het vorderingsformulier betwist. Volgens de passagiers houdt het nachtregime van Schiphol niet in dat er helemaal geen vluchten meer mogen landen.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder, tegenover het betoog van de passagiers, onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat het onmogelijk was om de vlucht in kwestie alsnog na het ingaan van het nachtregime van Schiphol uit te voeren. In het bijzonder heeft hij op geen enkele manier toegelicht of onderbouwd wat het nachtregime van Schiphol inhoudt en in hoeverre het niet mogelijk of toegestaan is om vluchten na het ingaan daarvan te laten landen. Bij deze stand van zaken kan daarom niet worden geoordeeld dat de vervoerder geen andere keuze had dan de vlucht te annuleren. Hierbij kan in het midden blijven wat de oorzaak van de vertraging van de voorgaande vluchten was omdat dit het voorgaande niet anders maakt. Dit betekent dat de annulering van de vlucht niet het gevolg was van buitengewone omstandigheden.
4.5.
Omdat de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.
4.6.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het verzochte bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
4.8.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. [4]

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 862,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 750,00 vanaf 23 juli 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 226,00 aan griffierecht en € 135,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van de Verordening.
2.Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
3.Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.
4.Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.