ECLI:NL:RBNHO:2025:12599

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
11748665 \ CV FORM 25-3790
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatie en terugbetaling van ticketkosten na annulering van een vlucht door buitengewone omstandigheden

In deze zaak hebben de passagiers compensatie en terugbetaling van ticketkosten verzocht van de vervoerder, EasyJet Europe Airline GmbH, vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder stelde dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk dat een andere vlucht de nachtsluiting van Schiphol dreigde te schenden. De kantonrechter oordeelde echter dat deze omstandigheden niet als buitengewoon konden worden aangemerkt, omdat de vervoerder onvoldoende had onderbouwd waarom de vlucht niet alsnog, zij het vertraagd, kon worden uitgevoerd. De kantonrechter wees het verzoek tot compensatie en terugbetaling van de ticketkosten grotendeels toe, omdat de vervoerder niet had aangetoond dat hij niet verantwoordelijk was voor de annulering. De passagiers hadden recht op compensatie op basis van de Verordening (EG) nr. 261/2004, en de kantonrechter stelde dat de vervoerder de passagiers de keuze moest bieden tussen terugbetaling of een alternatieve vlucht. De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder niet had voldaan aan zijn verplichtingen en dat de passagiers recht hadden op de gevraagde bedragen, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten werden ook aan de vervoerder opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11748665 \ CV FORM 25-3790
Uitspraakdatum: 29 oktober 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[verzoeker 1], wonende te [plaats 1]

2. [verzoeker 2], wonende te [plaats 2]
verzoekende partijen
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Europe Airline GmbH
gevestigd te Wenen, Oostenrijk
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)
De zaak in het kortDe passagiers hebben compensatie en terugbetaling van ticketkosten van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat hij niet hoeft te compenseren omdat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. De vlucht moest geannuleerd worden omdat een vlucht die na de vlucht in kwestie zou worden uitgevoerd de nachtsluiting van Schiphol dreigde te schenden. Dit levert echter geen buitengewone omstandigheid voor de vlucht in kwestie op. Het verzoek tot terugbetaling van de ticketkosten van passagier sub 2 heeft de vervoerder onvoldoende gemotiveerd betwist. Het verzoek wordt (grotendeels) toegewezen.

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A);
  • het verweerschrift.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder de passagiers en de minderjarige kinderen van passagier sub 2 op 21 juli 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Kopenhagen, Denemarken, met vlucht EC7939 dan wel EJU7939 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie en terugbetaling van de ticketkosten van passagier sub 2 van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 1.595,96, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 239,39 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
3.2.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat passagier sub 2 de vorderingsrechten tot compensatie van haar drie minderjarige kinderen aan zichzelf heeft overgedragen. Zij stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per persoon. [1] Daarnaast stellen zij dat de vervoerder passagier sub 2 de ticketkosten van de vlucht moet terugbetalen van € 345,96. [2]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
Voor zover de vervoerder heeft gesteld dat de minderjarige kinderen van passagier sub 2 niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard, gaat de kantonrechter hieraan voorbij. De passagiers hebben het verzoek immers alleen namens zichzelf ingesteld. Voor zover de vervoerder heeft betwist dat passagier sub 2 de vorderingsrechten van haar minderjarige kinderen aan zichzelf heeft overgedragen omdat niet zou zijn gebleken dat zij de wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen is, geldt dat hij deze betwisting op geen enkele manier en daarmee onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarom oordeelt de kantonrechter dat passagier sub 2 de vorderingsrechten van haar minderjarige kinderen (geldig) aan zichzelf heeft overgedragen.
4.3.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. [3] Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen. [4]
4.4.
De vervoerder heeft een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. Hij voert aan dat de vlucht in kwestie onderdeel was van de rotatievluchten Corfu – Amsterdam – Split – Amsterdam – Kopenhagen – Amsterdam (vluchtnummers EJU7914, EJU7907, EJU7908, EJU7939 en EJU7940). De vluchten van Corfu – Amsterdam – Split – Amsterdam werden vertraagd uitgevoerd vanwege (de doorwerking van) latere opgelegde vertrektijden door de luchtverkeersleiding. Deze vertraging dreigde vervolgens door te werken op de vlucht in kwestie en op de retourvlucht naar Amsterdam. Dit maakte het onmogelijk om vlucht EJU7940 van Kopenhagen naar Amsterdam uit te voeren zonder daarbij de nachtsluiting van Schiphol te schenden. Ter onderbouwing verwijst de vervoerder onder meer naar vluchtrapporten.
4.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder hiermee onvoldoende onderbouwd waarom de vlucht in kwestie niet alsnog, zij het vertraagd, kon worden uitgevoerd. Weliswaar zou het nachtregime van Schiphol van toepassing zijn op retourvlucht EJU7940 (van Kopenhagen naar Amsterdam), maar dat gold niet voor de vlucht in kwestie. De stelling van de vervoerder dat de bemanning nog moest terugkeren naar Amsterdam en dat het toestel gepland stond een dag later weer andere vluchten uit te voeren, maakt dit niet anders. Dit zijn immers interne, operationele gronden. Wellicht heeft de vervoerder daarbij keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van zijn onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat hem niet van zijn verplichting om de passagiers te compenseren. Daarmee heeft hij onvoldoende onderbouwd dat hij geen invloed had op de annulering van de vlucht en was deze niet het gevolg van buitengewone omstandigheden. De verzochte compensatie zal worden toegewezen.
4.6.
De kantonrechter stelt daarnaast voorop dat bij annulering passagiers recht hebben op bijstand. Dit betekent, samengevat, dat de luchtvaartmaatschappij de passagiers de keuze moet bieden tussen volledige terugbetaling van het ticket of een alternatieve vlucht. [5]
4.7.
De passagiers stellen dat passagier sub 2 na de annulering om terugbetaling heeft gevraagd maar dat de vervoerder deze nog niet heeft betaald. Daarom verzoeken zij om terugbetaling van de ticketprijs.
4.8.
De vervoerder heeft enerzijds erkend dat alle passagiers hebben gekozen voor terugbetaling van de ticketkosten, maar anderzijds ook dat hij niet gehouden is om terug te betalen omdat hij passagier sub 2 zou hebben omgeboekt. Daarnaast heeft hij ook aangevoerd dat er geen alternatieve vlucht voor haar beschikbaar was.
4.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij hiermee de stellingen van de passagiers dat passagier sub 2 niet is omgeboekt, dat zij vervolgens heeft gevraagd om terugbetaling en dat zij deze (nog) niet ontvangen heeft, onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarbij merkt de kantonrechter op dat het betoog van de vervoerder op dit punt zodanig rommelig is (en innerlijk tegenstrijdig lijkt) dat moeilijk is te begrijpen wat hij bedoelt. Van de vervoerder mag worden verwacht dat hij op heldere en duidelijke wijze procedeert, zodanig dat de kantonrechter goed wordt voorgelicht en de zaak op de juiste manier kan beoordelen. In dit geval heeft de vervoerder niet aan die procesvoorwaarde voldaan. Dit betekent dat ook het verzoek om terugbetaling van de ticketkosten van passagier sub 2 zal worden toegewezen.
4.10.
Voor wat betreft de over de hoofdsom verzochte wettelijke rente, moet onderscheid gemaakt worden tussen het verzoek tot compensatie en het verzoek tot terugbetaling van de ticketkosten van passagier sub 2.
4.11.
Voor het verzoek tot compensatie geldt dat de daarover verzochte rente toewijsbaar is met ingang van de datum waarop de passagiers schade hebben geleden. Dat is de datum waarop de passagiers op de eindbestemming hadden moeten aankomen. Het gaat om een verzoek tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade meteen opeisbaar is. [6] Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente over de compensatie wordt daarom toegewezen vanaf 21 juli 2023.
4.12.
Voor het verzoek tot terugbetaling van de ticketprijs van passagier sub 2 geldt het volgende. Bij annulering van een vlucht krijgen passagiers de keuze tussen terugbetaling binnen zeven dagen of een nieuwe vlucht. [7] Uit de Verordening volgt niet op welk moment deze termijn van zeven dagen begint te lopen. Omdat de passagiers een keuze krijgen zal de termijn niet eerder kunnen aanvangen dan vanaf het moment wanneer de passagiers hun keuze kenbaar hebben gemaakt bij de vervoerder. De wettelijke rente over dit gedeelte van de hoofdsom is daarom niet toewijsbaar vanaf de vluchtdatum. Omdat de passagiers niet hebben gesteld op welk moment zij voor het eerst hebben verzocht om terugbetaling van de vliegtickets van passagier sub 2, zal de wettelijke rente over dit gedeelte van de hoofdsom worden toegewezen vanaf de dag van het indienen van het verweerschrift.
4.13.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het verzochte bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
4.14.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
4.15.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht. [8]

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.835,35, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.250,00 vanaf 21 juli 2023 en over € 345,96 vanaf 13 juni 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 257,00 aan griffierecht en € 204,00 aan salaris gemachtigde,
en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van de Verordening.
2.Artikel 8 van de Verordening.
3.Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
4.Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.
5.Artikel 5 lid 1 sub a, in verbinding met artikel 8 lid 1 van de Verordening.
6.Artikel 6:83 sub b BW.
7.Artikel 8 van de Verordening.
8.Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015.