ECLI:NL:RBNHO:2025:12676

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
9279747
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatie voor vertraagde vlucht en de verplichtingen van vervoerders

In deze zaak hebben de passagiers, die een vervoersovereenkomst hadden met Air France, compensatie geëist voor een vertraagde vlucht van Amsterdam naar Mauritius op 17 juni 2019. De vlucht, AF1641, arriveerde met meer dan drie uur vertraging op de eindbestemming. De passagiers vroegen de kantonrechter om de vervoerder te veroordelen tot betaling van compensatie op basis van de Europese Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder voerde verweer en stelde dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, waaronder een vertraging van een eerdere vlucht en het van boord halen van bagage van passagiers die niet op tijd bij de gate waren. De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder voldoende had aangetoond dat de vertraging niet inherent was aan zijn bedrijfsvoering en dat hij alle redelijke maatregelen had genomen om de vertraging te beperken. De kantonrechter wees het verzoek van de passagiers af en veroordeelde hen tot betaling van de proceskosten. De beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9279747 \ CV FORM 21-4048
Uitspraakdatum: 22 oktober 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1.[verzoeker 1], wonende te [plaats 1]

2. [verzoeker 2], wonende te [plaats 2]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff (EUclaim B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Air France
gevestigd te Roissy (Frankrijk)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD)

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier (formulier A);
  • het antwoordformulier (formulier C) en het verweerschrift.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 17 juni 2019 moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Charles de Gaulle Airport (Parijs, Frankrijk) naar S. Seewoosagur Ram. International Airport (Mauritius), met de vluchtcombinatie AF1641 en MK45.
2.2.
De vervoerder heeft vlucht AF1641 (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- primair € 217,80 subsidiair € 181,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 juli 2019;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers baseren hun verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
4.2.
In het formulier A hebben de passagiers aangegeven een mondelinge behandeling te verlangen, als de vervoerder reageert met stukken ter staving van zijn stellingen. De kantonrechter zal dit verzoek echter weigeren omdat hij, gezien de omstandigheden van de zaak, van oordeel is dat een eerlijke rechtspleging in deze zaak geen mondelinge behandeling vergt. [2]
4.3.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. [3]
4.4.
De vervoerder stelt in dit verband dat de vlucht onderdeel was van de rotatievlucht Parijs – Amsterdam – Parijs (vluchtnummers AF1640 en AF1641). Deze vluchten zijn volgens de vervoerder met hetzelfde toestel uitgevoerd. Vlucht AF1640 is met een vertraging van 20 minuten aangekomen op Schiphol. Het toestel mocht namelijk niet conform schema vertrekken van de luchtverkeersleiding. Deze vertraging werkt door op de vlucht. Tijdens het boarden voor de vlucht zijn er vervolgens meerdere passagiers niet bij de gate gearriveerd, zodat hun bagage van boord gehaald moest worden. Hierdoor is de vertraging verder opgelopen. De vlucht is uiteindelijk uitgevoerd met een vertraging van 44 minuten, aldus de vervoerder.
4.5.
De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder, met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop, voldoende heeft onderbouwd dat deze omstandigheden hebben geleid tot een vertraagde uitvoering van de vlucht. Geen enkel toestel mag vertrekken zonder daartoe toestemming te hebben verkregen van de lokale luchtverkeersleiding. Bovendien leidt het van boord moeten halen van ingecheckte bagage tot een vliegveiligheids- dan wel beveiligingsprobleem. Deze omstandigheden zijn niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en deze heeft daar ook geen invloed op. De conclusie is dat de uiteindelijke vertraging van de passagiers op de eindbestemming het gevolg is geweest van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden.
4.6.
Bovendien oordeelt de kantonrechter dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen. Hij heeft de passagiers namelijk omgeboekt op het eerst beschikbare alternatief. Ook heeft hij alles in het werk gesteld om de vlucht alsnog zo snel mogelijk uit te voeren. Hierdoor is de vertraging van de passagiers op de eindbestemming zo beperkt mogelijk gebleven. Dat de passagiers niet reeds op Schiphol zijn omgeboekt, doet hier niet aan af. Het is naar het oordeel van de kantonrechter namelijk te vergaand om vervoerders te verplichten (gedupeerde) passagiers bij een te verwachten gemiste overstap proactief om te boeken vanaf de luchthaven van vertrek. Het verzoek van de passagiers zal daarom worden afgewezen.
4.7.
De passagiers worden, gelet op het doel en het karakter van de EPGV-procedure, niet meer in de gelegenheid gesteld om op het verweer van de vervoerder te reageren.
4.8.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen. Daarbij worden de passagiers ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de kosten van betekening van deze beschikking.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst het verzochte af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 204,00 aan salaris gemachtigde;
en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van de beschikking heeft plaatsgevonden, met de kosten van betekening van deze beschikking;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Voetnoten

1.Artikel 7 van de Verordening.
2.Artikel 5 lid 1 van de Verordening tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen nr. 861/2007.
3.Artikel 5 lid 3 van de Verordening.